Soms besef je opeens weer hoe belangrijk de omgeving is waarin je woont. Ons huis staat aan de rand van Amstelveen. Op de fiets ben ik binnen een half uur in het hartje van Amsterdam, maar loop ik de straat uit, dan sta ik midden in een kleinschalig en open polderlandschap. Ik heb er elke dag plezier van. Ik ben het me alleen niet elke dag bewust. Maar laatst wel.
Het was een mooie dag. Zonnig. Met een flinke soeplepel voorjaar in de lucht. Ik was op weg naar een boerderij aan de Nesserlaan die boerenkaas verkoopt. Heerlijke kaas. Fantastische kaas. Hij wordt gemaakt op een boerderij in Oud Ade. Als u net als ik geen idee hebt waar dat ligt: tussen Roelofarendsveen en Leiden. Midden in het Groene Hart dus. Samen met wat andere producten wordt de kaas verkocht in een landwinkel achter de boerderij van de schoonouders, aan de rand van Amstelveen – en daar prijs ik me gelukkig mee.
Tagarchief: wandelen
Hertenquota
Vanmiddag een wandeling gemaakt door de Amsterdamse Waterleidingduinen. We parkeerden de auto bij De Zilk en liepen door het licht golvende savannelandschap. Met de wind in het gezicht en de zon op de achterkant van onze benen.
Een duin bracht ons op 23 meter hoogte, vanwaar we de zee probeerden te zien. Verder dan het Best Western Palace Hotel aan de boulevard van Zandvoort kwamen we niet.
Wel zagen we een paar handenvol damherten en een vos. Het deed me denken aan het nieuwsbericht dat ik ‘s ochtends op de radio had gehoord. Dat de provincie Utrecht everzwijnen en damherten gaat weren. Afschieten zodra ze de provinciegrens zijn gepasseerd.
Edelherten zouden wel welkom zijn. Dat wil zeggen, 200 exemplaren mogen de provincie binnen. Daarna gaan de grenzen dicht.
Terwijl we terugliepen naar de auto vroeg ik me af of hier nu de animal cops voor zouden worden ingezet.
Slakkengang
Laatst fietsten mijn vrouw en ik vanuit ons huis in Amstelveen naar de overkant van het IJ. We zetten onze fiets neer in Durgergdam, het oude havendorpje aan de oude Zuiderzeedijk. In het rek bij de Oude Taveerne, met het vooruitzicht daar straks koffie te gaan drinken. Of warme chocolademelk met slagroom.
Durgerdam. Ik kom er graag in de winter. In de zomer is het me al snel te druk, maar buiten het seizoen is het er heerlijk. Een lint van houten huisjes, veel meer is het niet. Aan de voorkant kijken ze uit over het Buiten-IJ, aan de achterzijde over een poldertje met de naam Durgerdammer Die.
Het is er mooi, vind ik.
Ooit telde het dorpje een vloot van meer dan 75 botters waarmee ansjovis en haring werd gevangen, maar dat is lang geleden. De Zuiderzee is afgesloten, de botterhaven is een jachthaven geworden en met IJburg ligt Amsterdam een stukje dichterbij. Maar toch, zo heel veel veranderd is er ook niet. Zeker als je de andere kant op kijkt, over de weilanden van Waterland. Dat is het uitzicht dat ook die haringvissers zagen. Aarde en hemel geschilderd in dezelfde kleuren grijs met de horizon daar als niet meer dan een vage afscheiding tussen. ‘De stompe toren van Ransdorp in de verte,’ zoals Nescio honderd jaar geleden al schreef, ‘met de kleine huisjes er kleumerig en gering omheen.’
Gewapend met sjaal en muts en de handen diep in de zakken wandelden we over het dijkje tot aan het Kinselmeer en weer terug. Met op de heenweg wind in het gezicht en op de terugweg in de rug. Met aan de ene kant land en aan de andere kant water.
Simpeler kan het niet.
En mooier soms ook niet.
Ongelofelijk
Al bijna een week door bronchitis aan huis gebonden, maak ik vandaag voor het eerst een klein wandelingetje naar het winkelcentrum om de hoek. Naar de bakker en de Bruna. Voor een halfje bruin en Kampvuur van Julia Franck.
Zelfs deze kleine inspanning kost me moeite en hoestend en piepend loop ik terug naar huis. Op het bruggetje tegenover onze straat kom ik een oude man achter een rollator tegen.
‘Meneer,’ roept hij, ‘weet u hoe oud ik ben?’
Ik steek het fietspad over dat ons scheidt. Ik ken hem niet. Hij is oud. Ouder dan hij er uitziet ongetwijfeld. Even overweeg ik om ‘negentig’ te zeggen en door te lopen, maar ik besluit de man een plezier te doen.
‘Vijfenzeventig?’
‘Vijfentachtig,’ glundert de ander, ‘ongelofelijk, hè.’
Veel minder had ik hem niet gegeven, maar ik ben in een goede bui en zeg: ‘Mijn complimenten, ik hoop dat ik er tegen die tijd nog net zo goed uitzie als u.’
‘Hoe oud bent u?’ vraagt hij.
‘Ik moet nog vijftig worden.’
‘Ik ben vijfentachtig,’ zegt de man weer, ‘ongelofelijk, hè.’
Hij zegt het alsof hij onderworpen is geweest aan een natuurwonder. Alsof hij gisteren nog honderdvijf was en nu twintig jaar jonger is opgestaan.
Zijn handen, die hij stevig om de handvatten van zijn rollator heeft geklemd, trillen en aan de punt van zijn neus vormt zich een druppel.
‘En u geniet nog volop van een wandeling, zie ik?’
‘O ja,’ zegt de man, ‘zeker.’
‘Dat is misschien het beste recept om oud te worden,’ zeg ik glimlachend.
‘Ja,’ knikt hij, ‘en geen alcohol.’
Ik aarzel een fractie van een seconde te lang en zeg dan, iets minder enthousiast: ‘Ik zal er aan denken.’
De druppel valt van ‘s mans neus naar beneden.
‘Ongelofelijk, hè,’ zegt hij voor een laatste keer.
Dan neem ik met een hoofdknik afscheid van hem en vervolg mijn weg naar huis.
Zondagsrust
Gisteren in de weldadige zon met vrouw een wandelingetje gemaakt. ‘Boerenlandwandeling’ stond er op de groene bordjes en dat was niets te veel gezegd.
Niets te weinig evenmin.
Door weilanden, langs sloten, knotwilgen, een handvol boerderijen en één dorpje: Nieuwer ter Aa.
Ik kende het tot gistermiddag niet. Tenminste, dat dacht ik. Tot ik vandaag op internet las dat dit najaar het veerpontje Nieuwer ter Aa – Breukelen door een Duits vrachtschip is overvaren. Toen herinnerde ik me het weer.
Nieuwer ter Aa zelf zal ik nu niet snel meer vergeten. Zelden een dorpje er zo vergeten bij zien liggen. Als aan het eind van een doodlopend straatje. Terwijl de Aa er nog zo lekker quasi belangrijk doorheen meandert.
Als een herinnering aan lang vervlogen tijden die misschien alleen de kerk zich nog herinnert.
We liepen er naar toe door een knotwilglaantje dat naar de aan de rand van het dorpje gelegen begraafplaats voerde. Daarna het dorpje zelf: Julianalaan, Wilhelminastraat, Kerklaan, Dorpsstraat. Er liepen kindertjes met schriftjes over straat. ‘Zondagsschool,’ wist vrouwlief, die daar beter in thuis is dan ik. Er stonden een paar huizen te koop die mij de rest van de wandeling deden mijmeren over een mogelijk en ander leven.
Tot wij op weg naar de auto in het laatste stukje weiland drie hazen voor ons uit zagen rennen en met speels gemak en inspanningsloos over een sloot zagen springen. Ze hingen in de lucht, zwevend, met een hangtime waar Michael Jordan jaloers op zou zijn.
Beschenen door een Zon, rechtvaardig in al Zijn wegen, goedertieren in al Zijn werken.
Het Boek der Boeken
Het was op een zondag, een paar weken geleden. Een mooie zondag waarop ik met mijn vrouw door de Amsterdamse Waterleidingduinen liep. Met haar en vele andere wandelaars, die je overigens na een paar minuten en evenzovele afslagen bijna niet meer zag. De andere wandelaars dan; mijn vrouw bleef aan mijn zijde. Wie je wel regelmatig bleef tegenkomen waren de damherten. Of eigenlijk struikelde je er bijna over. De populatie is zo groot dat er sprake schijnt te zijn van overlast en het voornemen om er een aantal af te schieten. Het blijft lastig, natuur in Nederland.
Toen wij daar over de zandpaden liepen en ons herinneren hoe we het er vroeger, toen onze zoon nog klein was, met een enkele hoefafdruk moesten doen, schoot mij plotseling een herinnering te binnen van nog veel oudere datum. Aan een advertentie die ik ooit als kind had gezien. Of het nu was in de Kuifje, Pep of Robbedoes, dat weet ik niet meer, maar het was in een stripweekblad, dat weet ik zeker. De advertentie had zelf ook de vorm van een kort, paginagroot stripverhaal. Hij is een aantal malen geplaatst, tenminste, dat denk ik: ik weet bijna zeker dat ik hem destijds meerdere malen heb gezien. Het stripverhaal ging over een paar jongens, misschien padvinders, misschien ook niet. Ze lopen door een bos, stuiten op dierensporen en vragen zich af om welk dier het gaat. Een van die jongens blijkt schoenen te hebben waarvan de zool is uitgerust met een profiel waarin de afdrukken van dierensporen zijn verwerkt. De afdruk van zijn schoenen laat een handvol poot- en hoefafdrukken zien, met daaronder, in kleine letters, de naam van het betreffende dier.
Ik weet niet hoe ik onder woorden kan brengen hoezeer ik onder de indruk was van deze schoenen.
Terwijl ik dit onder een zwak winters zonnetje aan mijn vrouw vertelde, bracht de ene herinnering een andere met zich mee: die aan het Grote Woudlopers Handboek, van Kwik, Kwek en Kwak. De herinnering stamt uit dezelfde tijd: de tweede helft van de jaren zestig, de tijd waarin ik opgroeide en stripverhalen mijn zucht naar kennis en avontuur bevredigden en tegelijkertijd aanwakkerden. Het was een boek waarin alle antwoorden op alle vragen stonden, dat Grote Woudlopers Handboek. Een onuitputtelijke schat aan informatie, het Boek Waar Alles in Staat, het Boek der Boeken – voor een kleine jongen uit Amsterdam-West.
Dat bracht mij op het volgende.
Toen mijn zoontje tussen de twee en drie jaar oud was, had hij, zoals de meeste kinderen van die leeftijd,de gewoonte zijn vellen tekenpapier te vullen met een bonte mengeling van krassen en cirkels. Tekeningen die een enkele keer een verrassend totaalbeeld opleverden, waarin de kleurencombinatie, lijnvoering of vlakverdeling je kon treffen, maar die meestal toch niet meer waren dan de elementen waaruit ze waren opgebouwd: een wirwar van strepen, krullen en kleuren. De massaproductie die hij hierbij aan de dag legde, droeg zeker bij aan dit effect. Toch antwoordde hijzelf elke keer als ik hem vroeg wat hij aan het tekenen was op serieuze toon ‘een vogel’, ‘een auto’, ‘een tijger’, of welk onderwerp hem in die dagen dan ook in zijn greep hield. Ik heb mij elke keer, toen en tot op de dag van vandaag, afgevraagd of hij dat zelf geloofde. Of beter gezegd, of hijzelf in die voor mij onleesbare tekens iets anders las dan ik. Zag hij werkelijk die vogel, auto of tijger? Soms klonk hij tamelijk overtuigend en wist hij zonder moeite vleugel, wielen of staart aan te wijzen. Meestal overigens op een plek waar ik die niet vermoedde.
Langzaam maar zeker worden wij gedurende onze kinderjaren de kunst machtig om dat wat wij zien, in onze fantasie of in de werkelijkheid, te reproduceren. Altijd gaat het waarnemen aan het reproduceren vooraf. Het zien aan het tekenen, het lezen aan het schrijven. Ook als we het hebben over iemand die zich, in ieder geval zo nu en dan, schrijver mag noemen.
Met de schrijver en bibliofiel Alberto Manguel denk ik dat ik misschien zou kunnen leven zonder te schrijven, maar niet zonder te lezen. Of zoals hij schrijft in Een geschiedenis van het lezen: ‘Wij lezen allemaal onszelf en de wereld om ons heen teneinde een glimp op te vangen van wat we zijn en waar we zijn. We lezen om te begrijpen, of een eerste inzicht te verwerven. We moeten wel lezen. Lezen is, bijna evenzeer als ademhalen, onze essentiële functie.’
Ik kan mij, zoals waarschijnlijk iedereen, de eerste kinderboeken die mij voorgelezen werden en die ik zelf las, nog goed herinneren. Ik zal de titels en hoofdfiguren hier niet gaan opdreunen. Het gaat mij niet om de nostalgie, of de couleur locale van een tijdperk, maar om Het Boek, geschreven met hoofdletters, het mythische boek uit de kindertijd. Elk boek, en elk boek weer, was in die jaren een wereld, een oneindige wereld, die je een thuis bood en waarin je kon wegvluchten. Niet omdat de werkelijkheid iets was waaraan je moest ontsnappen, maar simpelweg omdat het boek je naar binnen lokte en betoverde. Of in de woorden van de filosoof Walter Benjamin die ik ooit eens las en noteerde: ‘Je las een boek niet door; je woonde erin, je verbleef tussen de regels.’
Zo kon ik later, toen ik groot was, bijna niet geloven dat de wereld van Winnie The Poeh, dat gebied van het ‘100 aker wood’, de ‘six pine trees’ en ‘the north pole’, waarin ik zoveel uren, dagen, of moet ik zeggen kilometers, had rondgezworven, niet meer dan twee deeltjes met elk tien verhaaltjes besloeg.
Behalve een schuilplaats biedt het lezen in de kindertijd ook een perspectief op het leven: dat van de waarnemer, de beschouwer, die in de werkelijkheid ziet, of zoekt, wat hij in zijn eigen particuliere belevingswereld eerder heeft gezien en gelezen. Althans, dat denk ik. Net zoals ik denk dat dit lezen uit de kindertijd, dit jezelf verliezen en weer vinden in de boeken, voorafgaat aan het schrijven dat wij later doen. Of wat ik doe, beter gezegd.
Wat is het schrijven anders dan het heropbouwen van die oneindige wereld, waarin het verhaal, anders dan in het leven, niet ophoudt, of in ieder geval weer opnieuw gelezen kan worden?
Het was een aangename wandeling, die zondag, waarop wij de damherten bleven bewonderen, hoe veel wij er ook zagen. We sloten hem af bij de kleine uitspanning De Oase, zoals onze eigen kleine traditie het wil. Zelfs reden we nog even door naar Zandvoort: als je zo dicht bij zee bent, moet je er toch even langs om naar de golven te gaan kijken.
Damherten, schoenen, woudlopers.
Als de bron van het schrijven daar ligt, in The Never Ending Story, in de wereld van het oneindige kinderboek, en als wij de echo van dat verhaal ook later nog steeds horen doorklinken in de literatuur die wij lezen en schrijven, betekent dat dan dat er niets is veranderd?
Misschien niet veel meer dan dat wij op een zeker moment geen boeven en schatten meer najagen, maar alleen nog op zoek zijn naar een schim uit het verleden, of naar onszelf.
Zen
Het is bijna 1400 kilometer, de afstand tussen Amstelveen en het plaatsje in de Pyrénées-Orientales waar wij misschien naar toe gaan deze zomer. Volgens Google Maps dan. Twee dagen rijden. Via Parijs, Clermont-Ferrand en Millau. Bovenaan de pagina van Google Maps staan drie icoontjes. Een autootje, een trein voor ‘openbaar vervoer’ en een poppetje dat voor ‘lopen’ staat. In een opwelling klik ik op die laatste. Het duurt even. Het is ook niet niks wat ik vraag. Zelfs voor Google. Maar uiteindelijk komt het programma met de door mij gewenste routebeschrijving. Amstelveen-Laroque-des-Albères. Afstand: 2192 kilometer. Reisduur: 9 dagen en 3 uur. Het eerste dat mij opvalt is de op het kaartje ingetekende route. Die gaat door de Noordzee, kruist het zuidoosten van Engeland, rondt met een wijde boog Bretagne, gaat door de Golf van Biskaje en bereikt ter hoogte van Bilbao weer het vaste land, om vervolgens dwars door de Pyreneeën te gaan. In de route blijkt een ferry van Hoek van Holland naar Harwich en een van Portsmouth naar Bilbao te zitten.
Zo kan het ook, ja. En nu begrijp ik die 9 dagen.
Hoe kom je erop.
Maar wat mij pas echt intrigeert, zijn de eerste regels van de routebeschrijving. ‘Vertrek in zuidelijke richting op de Beneluxbaan. Sla rechtsaf bij Sportlaan.’ Met die simpele aanwijzingen begint mijn reis naar het zuiden van Frankrijk. Zinnen die plotseling een zen-achtige schoonheid krijgen.
Zo simpel is het, ja.
Soms wel tenminste.
Schepijs
Winter in Nederland: schaatsen op tv. Ik maak een wandeling bij mij achter door de Middelpolder. Zon, wind, een restje vorst. Vogels kruipen bij elkaar. Hier de meeuwen, daar de waterhoenders, op een ander perceel de ganzen, zelfs de eenden en smienten zitten niet bij elkaar.
Segregatie in de natuur.
Hier en daar ligt nog een dun laagje ijs op de vaart. Alsof je er met een lepel zo een mooie krul vanaf kan scheppen. De zon zakt langzaam achter de bomen. De wind voert hockeygeluiden mee: een stick, een bal tegen de plank, een kreet.
Dat, en het beeld van blozende wangen.
En een meisjesdij met kippenvel.
Kerst-ommetje
Het is een kleine traditie geworden bij ons thuis – en ik houd wel van tradities. Zeker met Kerst. Op Tweede Kerstdag maken wij na het ontbijt een wandeling. En daarna gaan we ’s middags naar de film. Het is een prettig soort traditie, vind ik. Niet alleen omdat het lekker is om even de neus buiten de deur te steken, frisse lucht in te ademen en het lichaam in beweging te zetten, maar ook omdat het niet zoveel om het lijf heeft. De meeste tradities rond deze dagen zijn namelijk tamelijk zwaar en serieus van aard. Ik vind het prettig om daar iets lichts en onbeduidends tegenover te zetten. Voor de balans, zullen we maar zeggen.
De wandeling die wij maken moet daarom niet al te veel om het lijf hebben. Niets spectaculairs. Een ommetje zonder veel pretenties. Dat kan ik u overigens echt aanraden, en niet alleen met Kerst. Een wandeling over lange, rechte paden waar eigenlijk niets te zien valt. Je kunt je gedachten dan zo lekker de vrije loop laten en je aandacht laten rondzwerven. Soms wordt je dan opeens getroffen door de schoonheid van een beeld dat je al ontelbare malen moet hebben gezien. Een weide met een sloot die zich dan ineens tonen als een groen vlak met daarin een glanzende, met bibberige hand getrokken, kwikzilveren streep. En aan weerszijden daarvan, om het te vervolmaken, een tweetal zwanen in perfecte symmetrie. Mooi is dat.
>lees verder
Natuurlijk (2)
Op een herfststige zondagochtend een wandeling in het Amsterdamse Bos. Lekker weer, mooi licht, fel gekleurde bladeren, veel volk. Niets mis mee, met zo’n ommetje, zonder pretenties. Dat kan niet gezegd worden van dit stadspark: zoals bijna overal ontbreken ook hier de Schotse hooglanders niet. ‘Houd 25 meter afstand,’ meldt het bordje bij de ingang van dit stukje bos. Zal niet meevallen in dit gebiedje van postzegel formaat. De runderen zelf trekken zich er in ieder geval niets van aan. De wandelaars ook niet. Ik heb er al vaker over geschreven en blijf het potsierlijk vinden. ’Hoeveel van die beesten lopen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?’ vroeg ik mij in 2005 af. Hier waren het er in ieder geval veel. Net als het aantal Schotse uitwerpselen. Dat leverde nog koddige taferelen op doordat zij voor een groot deel schuil gingen onder het kleurrijke bladertapijt. Zag overal wandelaars in zondagse kleren de schoenen aan het gras afvegen. Moest toen opeens weer aan onze ooievaars denken. Het blijft vreemd gesteld met de natuur in Nederland.

