In tegenstelling tot mijn zoon vind ik Luca Toni maar niets. Sterker nog, ik verdenk hem ervan dat hij in het geheel niet kan voetballen. ‘Maar hij legt ze met hoofd en borst panklaar neer,’ zegt zoonlief. Dat is waar. Met borst en hoofd wel. Dat is de tragiek van Toni. Als er een sport zou zijn die ‘rompbal’ of ‘kopbal’ zou heten, zou hij ongetwijfeld een van de besten ter wereld zijn. Helaas bestaat zo’n sport niet en luidt de naam van de sport die hij wel beoefent ‘voetbal’.
Zo speelt hij ook. Met de spijt en wanhoop in zijn lichaam. Om die twee dingen onderaan zijn benen die een echte heldenrol in de weg zitten.
Laat kop of rompbal dan niet bestaan, er is een sport die hem op het lijf is geschreven. Aussie Rules Football. Daaraan moet ik altijd denken als ik hem zie. Kort, strak broekje, shirtje zonder mouwen. Springen, gooien, smijten, rennen. En soms die bal, of tegenstander, een lekkere hengst. Aussie Rules. De verlossing van Luca Toni.
Tagarchief: voetbal
EK (3)
‘Jack, met René: Benzema.’
‘De Jong.’
‘Dan moet Van der Vaart wel erg veel achter Makelele aanlopen.’
(…)
‘Ik heb een beetje vreemd gevoel, Jack.’
(…)
‘Ik zie Benzema, Henry en Ribéry voortdurend van positie wisselen.’
(…)
‘Daar houden onze verdedigers niet zo van.’
(…)
‘Jack?’
EK (2)
Jack van Gelder belde gisteravond nog.
Of ik nog steeds vond dat Engelaar linksback moest spelen.
‘Nou, met Robben…’ probeerde ik nog, maar mijn argumenten gingen verloren in een massaal en extatisch gehuil.
Aan mijn vergelijking Kuyt-Colombo dacht ik pas toen wij het gesprek al hadden beëindigd.
EK
Omdat Jack van Gelder nog steeds niet heeft gebeld, geef ik nu toch mijn opstelling van het Nederlands elftal hier maar prijs.
In het doel staat ook bij mij Edwin van der Sar. Rechtsback zetten wij Nigel de Jong – en die moet dan gewoon weer doen alsof hij op een Amsterdams pleintje speelt. Het centrum van de verdediging wordt gevormd door de twee gemeenste jongetjes van de klas: André Ooijer en Khalid Boulahrouz. Linksback staat Orlando Engelaar. Orlando Engelaar? hoor ik u zeggen. Ja, Orlando Engelaar. Rustig, goed overzicht, sterk aan de bal, goede inspeelpass (zoals dat tegenwoordig heet), lekker lang (en zoveel hebben we er daar niet van, van lange spelers).
Had ik al gezegd dat wij gewoon 4-4-2 spelen? Vier man op het middenveld, dus. Rechts aan de buitenkant speelt Dirk Kuyt. Voor het broodnodige loopvermogen, dat veel andere spelers zo missen. Lopen zonder bal, gaten trekken, gaten vullen, diepgaan, ballen afpakken – kent u Angelo Colombo nog? Die blonde speler uit het Milan van Gullit, Rijkaard en Van Basten? Stond ook rechts op het middenveld. Ik hoop dat Van Basten zich hem nog bijtijds herinnert. Naast Kuyt zetten wij John Heitinga. Om de nummer 10 van de tegenpartij uit te schakelen. En het vuile werk op te knappen voor zijn maatje Wesley Sneijder, die uiteraard voor hem in het centrum speelt. Op links tenslotte staat Arjan Robben. Zo hebben we een middenveld met een speler voor het loopwerk, een verdediger, een met een pass en schot, en een met een actie. Compleet en in balans, dacht ik zo.
De voorhoede bestaat uit Robin van Persie en Ruud van Nistelrooy: ik denk dat ik daar niets aan hoef toe te voegen.
Ziet er mooi uit, vindt u ook niet? Ach, wie weet belt hij nog.
Salad-days
Gisteren zag ik een stukje van Visconti’s Dood in Venetië op tv. Terwijl ik zat te kijken moest ik denken aan het boek De jongen van Germaine Greer, dat een paar jaar geleden is verschenen. In dat boek verzette de schrijfster zich tegen de overheersende rol van de vrouwelijke schoonheid in de kunst en de media. Ze wilde laten zien hoe in de eeuwen daarvoor juist de man, en dan met name de opgroeiende jongen, het schoonheidsideaal had beheerst. Het ging Greer om het beeld van de oogverblindende jeugd. Zij verwees daarbij niet alleen naar klassieke kunstwerken uit het verleden, zoals Cellini’s Narcissus en Donatello’s David, maar ook naar hedendaagse iconen als Brian Jones en Marc Bolan, James Dean en Kurt Cobain, allen, misschien niet toevallig, jong gestorven helden. ‘De man is mooi wanneer zijn wangen glad zijn, zijn lichaam onbehaard, zijn blik helder, zijn houding beschroomd en zijn buik plat,’ zo schreef Greer, ‘ze moeten oud genoeg zijn om seksueel geprikkeld te kunnen worden, maar nog niet zo oud dat ze zich al moeten scheren. Die tijd is in een vloek en een zucht voorbij.’ Een foto van Bjorn Andresen, de jonge acteur die in 1971 in Dood in Venetië de rol van Tadzio speelde, sierde het omslag van het boek.
Mij deed Bjorn Andresen, toen en ook nu weer, denken aan een jonge, kwikzilverige speler uit de Ajaxschool, een aalvlugge rechtsbuiten met een mooie schaarbeweging en een wegdraaiende voorzet. Een speler in de voetsporen van Frank Rijkaard, Marco van Basten, Gerald Vanenburg, John van ‘t Schip, Brian Roy, Richard Witschge, Dennis Bergkamp, Raphaël van der Vaart en Wesley Sneijder. Voetballers met platte buik, gladde wangen en heldere blik, in de salad-days van hun loopbaan, als hun spel nog gekenmerkt wordt door lichtheid, snelheid, onbeladenheid, overmoed en exuberantie.
Ik denk dat wij zo van die jonge talentvolle spelers houden omdat wij, in die vergeefse strijd tegen het verglijden van de tijd, jonge voetballers nodig hebben om onszelf op de tribune jong te voelen, om de eeuwige droom van een eeuwigdurende jeugd voort te kunnen zetten. Ik ben daarom van mening dat het jeugdcomplex van Ajax met De Toekomst een verkeerde naam heeft gekregen: het is het verleden dat wij er herbeleven, in een herinnering die, zoals elke herinnering, een illusie is.
De aanblik van de jonge Bjorn Andresen dreef mij naar mijn computer. Met zijn naam als zoekwoord probeerde ik erachter te komen wat er van hem was geworden. Het was niet veel informatie wat ik vond, maar genoeg om te weten dat het met zijn filmcarrière na Dood in Venetië niet echt heeft willen vlotten. Hij speelde in de twintig jaren die zouden volgen nog wat kleine rolletjes in Zweedse films met titels als The Simple-Minded Murder, One-Week Bachelors en King of Smugglers. Hij heeft een dochter, twee stukgelopen huwelijken achter de rug, woont in Stockholm, en is nu ergens in de vijftig.

De hand van God en de voet van Butcher
Hoe zou het met Diego Maradona zijn? Met zijn gewicht, zijn verslavingen, zijn carrière als coach? Al een tijdje niets meer over hem gehoord. Elke keer als hij met hartproblemen in het ziekenhuis wordt opgenomen, als zijn gewicht de honderd kilo overschrijdt en zijn bijnaam Pluisje alleen nog met ironie wordt uitgesproken, vraag ik me altijd af hoeveel necrologieën er al klaar liggen in de laden van redacteuren – en voel ik meteen de drang om mijn voetnoot toe te voegen aan het levensverhaal van deze geniale gek.
> lees verder
Schaduwspits
Het was gisteren, wat later op de avond. Toen ik al die fijne voetballers weer voorbij zag komen. Fabregas, Iniesta, Nasri, Alex (nee, niet de ex-PSV’er, maar die van Fenerbahçe). Het gebeurde in de wedstrijd tussen Olympique Marseille en Besiktas. In het Stade Vélodrome trok een speler van Marseille een sprintje langs de rechter zijlijn van het veld. Hij passeerde één man, een tweede en gaf een schot dat rakelings over de lat ging. Tenminste, dat geloof ik. Ik weet het niet zeker. Mijn aandacht werd namelijk getrokken door een plastic zakje dat door de lucht zweefde. Terwijl de speler op volle snelheid lag en zich van zijn tegenstanders ontdeed, zweefde het moeiteloos een aantal meters hoger achter hem aan. Gegrepen door welke raadselachtige wind in het Stade Vélodrome volgde het zijn spoor? Alsof het geen enkel moeite kostte, zo gleed het door de lucht. Lichtvoetig, snel en sierlijk. Onverstoorbaar. Volkomen in balans. Zijn naamgenoot in American Beauty degraderend tot edelkitsch.
‘Kopen dat zakje,’ SMS-te ik diezelfde avond nog naar Ajax-directeur Van Geel.

Gelooft u mij niet? Kijk zelf.
Der Mann ohne Eigenschaften
Het was een jaar of vijf geleden. Toen Danny Blind nog trainer was van de A1 van Ajax en Marco van Basten bij hem stage liep. Welke wedstrijd het was weet ik niet meer. Hedwiges Maduro speelde mee, dat weet ik nog wel. Ik zat op de kleine tribune aan het hoofdveld van sportpark de Toekomst, waar de jeugd van Ajax zijn wedstrijden speelt.
Het was rust en vlak voor de tweede helft zou beginnen, stapte hij de tribune op. Een fractie van een seconde lang keek hij om zich heen – misschien om te kijken of hij een bekende zag – en ontmoette op dat moment, zoals gewoonlijk, een paar honderd ogen die een bekende zagen.
> lees verder


