Tot een aantal jaren terug, toen ik nog niet aan de schoolvakanties was gebonden, kwam het vaak voor dat ik tijdens een EK of WK niet in Nederland was. Juni is een mooie maand om weg te gaan. Zeker als een naar psychose neigende toestand zich meester heeft gemaakt van ons land. Nu moet u niet denken dat ik niet van voetbal houd. Dat doe ik wel. Sterker nog, ik ben verslingerd aan het spelletje en als men mij vraagt wat ik wil worden als ik later groot ben, dan luidt mijn antwoord nog altijd ‘profvoetballer’, al wordt die vraag mij hoe langer hoe minder gesteld.
Het is niet alleen de gekte die tijdens een eindtoernooi bezit van ons land neemt die mij wegjaagt. Hoewel ik moet toegeven dat een zekere distantie geen kwaad kan, is het toch meer zo dat het toernooi in Nederland zo wordt overschaduwd door het wel en wee van Oranje, dat daarmee het zicht op de wedstrijden en het genieten van het voetbal je ontnomen wordt.
Tagarchief: voetbal
Victorious youth
Gisteravond een stukje van de film Nummer 14 Johan Cruijff op tv gezien. Zag hem in 1973 met mijn vader in de City. Cruijff. Vijfenzestig, nu. Maar toen nog een jongen. Een lichaam ontworpen voor snelheid. Gezicht gesneden in de windtunnel. Spitse kin en neus, mond open, ingevallen wangen – en het haar van mijn broer.
Het beeld is bijna verdreven door dat van de rancuneuze oude man. De tragiek van het ouder worden. Maar ook de tragiek van de vorst die te veel meelopers en ja-knikkers om zich heen heeft gehad. Te weinig mensen die hem tegenspraken. ‘Zit nou niet zo slap te lullen, man.’
Je zou het hem gunnen.
En Ajax ook.
Maar nu toch liever eindigen met de jongen voor het geestesoog.
Twee jongens, beter gezegd. Of misschien toch één. De linker werd gevonden in Betondorp. De rechter in de netten van een Italiaanse trawler voor de Adriatische kust.
Victorious youth. Dat is de naam die in het Getty Museum in Malibu op het plaatje staat.
April is the cruellest month
Vorige week stond ik aan het einde van een zonnige dag buiten, in de achtertuin. Het was het begin van de avond, net na het avondeten. Terwijl ik naar de tuin stond te kijken, waar ik door omstandigheden dit jaar nog veel te weinig aan heb gedaan, hoorde ik een geluid dat ik meteen herkende: het stuiteren van een bal in het gangetje tussen ons huis en dat van mijn buurman. Het gangetje voert naar het voetbalveldje hier in de wijk en wordt veelvuldig gebruikt door kinderen. De stuit van de bal op de trottoirtegels wordt weerkaatst door de muren van onze huizen. Een echo is het niet echt, een galm evenmin. Het is alsof het geluid van de bal wordt overgenomen door de muren en versterkt wordt doorgegeven. Ja, alsof de twee muren, die op niet meer dan krap vier meter van elkaar staan, elkaar het geluid toeroepen: kabauwwauw, kabauwauw, kabauwauw. Hartslag van de jeugd. Hartslag van de zomer.
En meer nog dan de langer wordende dagen, de uitbottende struiken of de crocusjes, narcissen en andere voorjaarsbloemen die zich tonen, is het dit geluid dat voor mij de komst van de zomer aankondigt.
Ik luisterde naar het wegstervende stuiteren van de bal. Naar de zachter wordende stemmen van mijn overbuurman en zijn zoontje. En plotseling vroeg ik mij af of ik ooit zelf nog een balletje zou trappen.
Met het ouder worden van mijn zoon is wellicht mijn laatste alibi verdwenen.
Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (7)
Eerder deze week gaf Morrissey een concert in De Vereeniging in Nijmegen. Ik wist het niet, maar las later een enthousiaste recensie in de NRC. Niet dat ik anders gegaan was, dat niet. Ben altijd bang dat de houdhaarbeidsdatum van jonge helden zal zijn verstreken. Hij is inmiddels 50, Steven Patrick Morrissey. Johnny Marr is 46. Hun liedjes nog altijd tijdloos.
Op zaterdag 21 april 1984 ging ik met een vriend naar De Meervaart, naar een feest georganiseerd door het muziektijdschrift Vinyl. Wij waren eerst nog naar Ajax-PSV gegaan, een wedstrijd die Ajax met 1-0 won, en arriveerden wat later in Osdorp, tijdens het concert van Nick Cave. Maar we kwamen toch alleen maar voor The Smiths.
Ik wist nooit wie van de twee nu echt mijn favoriet was, frontman Morrissey of stille kracht Marr. De charmante poseur met grote mond of de engelachtige gitarist met het fonkelende, lichtvoetige gitaarspel. Maar uiteindelijk was het natuurlijk het duo dat overrompelde, zoals zoveel van die Engelse duo’s: zanger en gitarist, tekstschrijver en componist, Morrissey en Marr. Hun namen klonken al klassiek nog voor zij een letter en noot op papier hadden gezet.
Morrissey zong die avond wat onvast, wat hij altijd zou doen. Marr’s gitaar had te lijden onder het slechte geluid. Nee, het was geen fantastisch optreden, maar wat gaf het. Het was 1984. Ajax speelde met de piepjonge Bosman, Vanenburg, Van Basten, Rijkaard, Silooy en Koeman. Morrissey droeg zijn narcissen in zijn kontzak en Marr droeg een strass kettinkje om zijn hals. Althans, zo herinner ik het mij.
Laagland
Mooi boek, Laagland van Joseph O’Neill. Geen 9/11 roman, daar had het boek wat mij betreft zelfs zonder gekund. En ook had er naar mijn smaak wat gesneden mogen worden in het gezever over zijn huwelijk(sproblemen). Ook de Dutch Connection speelde geen enkele rol in mijn waardering voor het boek. Nee, in feite zijn er slechts twee redenen waarom ik het toch een mooie roman vond: het thema van the Americain Dream en het dromen van cricket. Vooral dat laatste was naar mijn hart. Niet dat ik zo’n cricketfan ben, dat niet. Het had van mij elke andere sport mogen zijn. Ik heb nooit echt op hoog niveau gevoetbald, tot mijn spijt, maar de volgende passage had ik kunnen schrijven. Ook ik droom nog dikwijls van doelpunten gescoord op een veldje in een Amsterdams park, in de zaal van het Universitair Sportcentrum of op een Amsterdams voetbalveld. En die momenten, in tegenstelling tot zoveel andere die belangwekkender zouden moeten zijn, liggen inderdaad in de kern van wat ik voor het gemak dan maar mijn ‘Zelf’ noem.
‘Ik vind het moeilijk mij een te voelen met die voormalige zelven wier ongelukken en inspanningen mij mede gevormd hebben. De schooljongen aan het Gymnasium Haganum; de student in Leiden; de onnozele trainee executive bij Shell; de analist in Londen; zelfs de dertigjarige die met zijn opgewonden jonge vrouw naar New York vloog: mijn gevoel is dat die allemaal zijn vervaagd, in de loop der jaren, en uiteindelijk verdwenen. Maar ik denk nog steeds aan mezelf, en ik vrees dat ik dat altijd zal blijven doen, als de jongeman die in Amstelveen met een hausse aan cuts honderd runs scoorde, die in Rotterdam, in de tweede slip, met een snoekduik die ene bal ving, die met veel geluk een hattrick scoorde bij de Haagsche Cricket Club. Deze en andere cricketmomenten zijn in mijn geheugen geëtst als sexuele herinneringen, altijd oproepbaar, en in die lange eenzame nachten in het hotel, als ik me wilde afschermen van de droefste gevoelens, waren ze in staat me wakker te houden terwijl ik ze opnieuw doorleefde en liggend in bed machteloos treurde om de mysterieuze belofte die ze ooit hadden ingehouden.’
Glasgow, 15 september 1982
De kenners herkenden hem natuurlijk, gisteravond: de Celtic-variant. Twee buitenspelers en een spits die terugvalt naar het middenveld. Daar houden Engelsen niet van. Wij weten dat al sinds 15 september 1982, toen Ajax in Glasgow opponent Celtic met hetzelfde concept bestreed. Met Vanenburg en Olsen op de flanken. En Cruijff zelf als spits op het middenveld. 2-2 werd het, waar wij hadden moeten winnen. Olsen en Lerby scoorden. Mooie doelpunten waren dat, fluistert mijn geheugen. Sinds die dag gaat het concept door het leven als de Celtic-variant, bedacht en uitgevoerd door Johan Cruijff, waarmee ook meteen de link met Barcelona is gelegd. Wat er overigens meestal niet wordt bij verteld, is dat Ajax wel gewoon door Celtic werd uitgeschakeld. Doordat zij hier in Amsterdam met 1-2 wonnen. Ik was erbij in het Olympisch Stadion. Ik geloof niet dat die variant in de geschiedenisboeken is beland.
Onvervulde beloften
Weinig dingen schrijnen zo mooi als het idee van onvervulde beloften. Als een wondje dat wij open willen houden en waarvan wij, verslaafd aan de pijn, het korstje telkens weer lospeuteren, ons hele leven lang.
Het moet in 1968 zijn geweest dat ik voor de eerste keer in mijn leven foto’s van wielrenners zag. Ze hingen aan de muur van mijn oom Jans werkplaats in de Burco fietsenfabriek, aan de Kerkstraat in Amsterdam. Een enkele keer bezocht ik hem daar, samen met mijn vader. Het was niet zo heel ver bij ons vandaan. Mijn oom Jan, een lange, slanke man, was de broer van mijn vader. Hij had dun haar dat hij met grote zorgvuldigheid over zijn schedel kamde, waar het overigens nooit lang wilde blijven liggen. Ook zijn handen en zijn ogen kenden eenzelfde rusteloosheid als zijn haar.
‘Bahamontes,’ sprak mijn oom zachtjes en het was pas toen hij mij bij mijn schouder meevoerde naar de foto dat ik begreep dat de onbekende klanken de naam vormden van de man met de ingevallen wangen en donkere krullen aan de muur.
‘Darrigade, Gaul, Altig, Anquetil.’ Nog steeds maken de namen de herinnering aan een geur bij mij wakker, een geur die ik niet zou kunnen benoemen of beschrijven, maar die samengesteld lijkt uit die van olie, metaal, hout, karton en nog zo wat zaken, en die ik een enkele keer nog wel eens tegenkom in werkplaatsen of in een stoffig en vochtig magazijn.
Hij nam mij mee naar zijn bureau, opende een lade en haalde er foto’s uit van Jan Janssen, Rick van Looy en Jo de Roo. Met trots en eerbied legde hij de drie gesigneerde exemplaren, de kostbaarste schatten uit zijn verzameling, een voor een op zijn sousmain, terwijl hij met de andere hand zijn haren weer op zijn schedel te rusten legde. Niet veel later zou Jan Janssen de Tour winnen en mijn ooms werkplaats verhuizen naar de Nieuwe Uilenburgerstraat, wat te ver lopen voor ons was.
>lees verder

Der Mann ohne Eigenschaften (2)
Het zou door het tumult rond de rode kaart van Jan Vertonghen en het wegsturen van Marco van Basten zelf bijna worden vergeten, maar als er een persoon verantwoordelijk was voor Ajax’ nederlaag dan was het Van Basten wel. Ik heb hem eerlijk gezegd nog nooit op een deskundig oordeel of een handeling die deskundigheid verried kunnen betrappen. Niet bij het Nederlands Elftal, noch bij Ajax. Evenmin heb ik het idee dat er een voetballer is die hij beter maakt. Eigenlijk heb ik geen idee wat hij wel doet – en ik ben bang dat hij dat zelf ook niet weet.
Uit de opstelling van afgelopen zondagmiddag bleek een schrijnend gebrek aan inzicht. In zowel de kwaliteiten van Groningen als die van zijn eigen ploeg. Dit was nu juist een wedstrijd om vanuit een sterke defensie en middenveld op de counter te spelen. Met Suarez en Suleimani geniepig voorin. Siem de Jong daarachter. En Jan Vertonghen natuurlijk niet links op het middenveld maar centraal. Ik ben ervan overtuigd dat zij met 2-0 hadden gewonnen. Op de manier van AZ, zogezegd. Maar goed, Van Basten is Van Gaal niet. Of hoe zei Adriaanse dat ook al weer, een goed paard is nog geen goede ruiter? Op 14 september 2007 schreef ik de column Der Mann ohne Eigenschaften. Over een voorval dat 5 jaar eerder plaatsvond. Denk niet dat er veel veranderd is.
Zie ook Der Mann ohne Eigenschaften
Rafael
Ik weet niet welk doelpunt ik mooier vond, gisteren. Nee, ik heb het niet over ons eigen bekertoernooi, maar over de wedstrijd van Madrid tegen Sporting Gijon. Natuurlijk niet het hakje van Van der Vaart, wat ongetwijfeld weer de wereld over zal gaan. Overschat, die hakjes. Voetballen doe je met je hoofd. Zoals alles trouwens. Behalve schrikken en verliefd worden. Dat gaat zelfs beter zonder hoofd. Maar goed, we hadden het over voetbal. Wat de doelpunten betreft, de een was nog mooier dan de ander. Maar de mooiste actie was ongetwijfeld de assist van Van der Vaart op Robben. De aanname op de borst en dan in één keer het steekpassje. Net na de stuit. Ietsje buitenkant voet. De bal onder het hart geraakt. Backspin. Zodat-ie eerst nog even doorglijdt over het gras en dan mooi stil komt te liggen, precies voor de voeten van de sprintende Robben. Zoals een trekstoot bij het biljarten. Ragfijn. En met een ontspannen voet getrapt.
Hoelang zou het nog duren voordat we zoiets weer zien op de Nederlandse velden?
Jeannie Longo en Femke Heemskerk
Sportevenementen als de Olympische Spelen zijn slecht voor mij, mijn werk, mijn gestel en mijn gezin. Als ik eenmaal begin met kijken kan ik moeilijk stoppen – en eigenlijk wil ik dat ook helemaal niet. Ik wil alles zien. Onversneden. Onaangelengd. The Full Monty. Van gewichtheffen tot synchroonspringen en van tafeltennis tot dressuur. Mijn eerste Olympische verliefdheid heb ik ook al onder de leden: zwemster Femke Heemskerk heeft mijn hart gestolen, maar daarover later meer.
>lees verder

