Van wandelende planten en een dode hamster

Er zijn altijd stukjes van de tuin die niet willen wat jij wil. Stukjes met een eigen willetje. Achter in de tuin, in de schaduw van de schuur, hebben wij zo’n stukje. Tegen de schuur groeit een klimhortensia die het hele hoekje dreigt te overwoekeren. Daarvoor staat een Kirengeshoma palmata. Daar hoor je mij niet over klagen. Alles is mooi aan deze plant: de bladeren, de stengels, de bloemknoppen, tot de zaaddozen aan toe. Het is een uiterst gemakkelijke plant, een sulletje bijna, die zelfs met een plekje in de diepe schaduw tevreden is.
Naast de Kirengeshoma heb ik jaren geleden een paar exemplaren van Ligularia przewalskii geplant. Omdat die ook zo’n mooi ingesneden blad heeft. Er is iets grappigs met die plant aan de hand: hij wandelt. Doen meer planten, dat wandelen. Elk jaar verplaatsen ze zich een stukje. Steeds een paar kleine pasjes naar links of rechts. Stiekem. Als ik even niet kijk. Van het diepste schaduwplekje naar een waar zo nu en dan toch wat zonlicht valt. Of vanuit de hoek van een border langzaam aan steeds verder naar voren.
Het zijn de migranten onder de planten. En wie ben ik om ze tegen te houden en weer terug te zetten op hun plaats? Vanuit het zonnetje weer terug de schaduw in? Voel me dan net een minister die een tiener terug naar Angola stuurt.

>lees verder

Zondagsrust

Het waaide buiten. En soms regende het.
Vrouwlief deed mee aan de Tuinvogeltelling.
‘En?’ vroeg ik na een half uur.
‘Eén merel,’ zei ze.
Ik keek naar buiten.
‘Probeer het nog eens,’ zei ik.
‘En nu?’ vroeg ik na een tweede half uur.
‘Weer één merel.’
Ik keek naar buiten. Het waaide.
En soms regende het.

Sapstroom

Mijn vrouw kijkt uit naar de winter. Zij houdt van sneeuw en ijs, schaatsen en skiën.
Ik niet. Ik houd wel van de winter, hoor, dat is het niet. Maar de winter is voor mij de tijd van binnen. Van Sint en Kerst, dat wel, maar niet van wintersport.
Ik krijg juist de neiging om mij terug te trekken in mijn hol. Met een hoge stapel boeken en veel calorierijk comfort food: chocolade, appeltaart, stoofschotels, specerijen en dikke soepen.
‘Kan er niks aan doen,’ zeg ik tegen vrouwlief, ‘kijk maar naar de natuur, het is evolutionair bepaald.’
Zij heeft absoluut geen last van dit soort dingen. Krijgt juist zin om dingen aan te pakken en op te ruimen.
Zij zegt: ‘Zullen we het siergras afknippen, die verdroogde halmen waaien door de hele tuin.’
‘Zonde van het wintersilhouet,’ verzucht ik en nestel me in een hoekje van de bank.

Lees verder

Vergeten groenten

Al mijn hele tuinleven lang droom ik van een moestuin. Het is een romantische gedachte, waarin ik mijzelf met schep en schoffel bezig zie in de weerbarstige klei. Een kruiwagen mest hoort erbij en rubber laarzen. En het gezicht en de stem van de in 1996 overleden Geoff Hamilton, die 17 jaar lang Gardener’s World presenteerde. ‘The richness of the soil,’ hoor ik hem dan altijd zeggen, of woorden van gelijke strekking, terwijl hij met zijn handen door de aarde woelt. Dat zou ik ook wel willen doen. Met mijn handen door de aarde woelen. En aan het eind van de dag met een emmer aardappelen, worteltjes en boontjes thuis komen. Waar we dan iets lekkers van klaar maken. Geroosterde aardappeltjes met veel knoflook en rozemarijn. Boontjes met harde schapenkaas  en citroenmelisse. Tomaatjes met dragon. Super vers en helemaal puur. Al passen die laatste woorden niet echt bij het beeld. Maar ja, probeer maar eens woorden te vinden die nog wel authentiek klinken nu ‘vers’, ‘puur’ en ‘eerlijk’ door de commercie zijn geconfisceerd.
>lees verder

Zen en de kunst van het achterlaten

Dankzij Google ga ik dit jaar met een veel geruster hart op vakantie. Ik zal u dat proberen uit te leggen. Het heeft te maken met de vreemde kant die er, voor een tuinbezitter althans, zit aan het op vakantie gaan. Een beetje alsof je halverwege een voorstelling wat gaat drinken in de lounge van het theater, om tegen het eind je stoel weer op te zoeken. Zo voelt het elk jaar tenminste wel als wij op het punt staan om op vakantie te gaan. Op het hoogtepunt van het jaar kijken we vol bewondering naar onze tuin – om hem vervolgens voor drie weken aan zijn lot over te laten. Daar zit iets vreemds in, vindt u niet? Zo heb ik mijn Phloxen volgens mij nog nooit op hun mooist gezien.
Tijdens de vakantie denk ik regelmatig aan onze tuin. Regent het wel genoeg? Waait het niet te hard? Bloeit er nog iets al ik terug kom? Het is ook het eerste wat wij doen als wij weer terug zijn: een blik werpen op de achtertuin.
Soms valt dat mee. Maar soms ook niet en treffen wij bij terugkomst een wildernis aan. Uitgebloeid en uitgegroeid. Dor en droog. Geen model meer in. Een lange slungel met zijn haren door de war. Een beetje zoals mijn puberzoon als hij om half elf zijn bed uitkomt. Maar na een paar dagen van terugknippen, uitgebloeide bloemen verwijderen, steunen zetten, opbinden en water geven is-ie meestal al weer aardig opgekalefaterd. Mijn tuin bedoel ik dan. Bij zoonlief duurt het aanzienlijk korter.
>lees verder

Juffertjes en straatmeiden

Rozen, ik heb er een wat moeilijke relatie mee. Een vriend van mij zei ooit dat-ie het maar verfrommelde zakdoekjes vond en ik moest hem ergens wel gelijk geven.  Sindsdien hoor ik zijn woorden steeds als ik zorgelijk naar ze kijk. Ik heb het dan niet over mijn klimroos, die robuuste New Dawn, Engelse plattelandsvrouw, twee voeten stevig op de grond, beschaafd en belezen, maar niet bang voor klei aan haar handen. Nee, mijn zorg betreft een ander type.
Het is zo’n 15 jaar geleden, denk ik. Volgens mij werden de zogenaamde David Austin rozen toen net populair in Nederland. En ik moet zeggen dat ze ook echt prachtig waren. Op papier. Ik bestelde een brochure die mij vanuit Engeland werd toegezonden. Uren kon ik daar in bladeren. A Shropshire lad, Charles Rennie Mackintosh, Chaucer, Fair Bianca, Katrhryn Morley, Lochinvar, Queen of Sweden, Scarborough Fair, Constance Spry. Heerlijke namen. Prachtige foto’s. Ik werd er hebberig van, wilde ze allemaal en kocht er uiteindelijk drie.
>lees verder

April is the cruellest month

Vorige week stond ik aan het einde van een zonnige dag buiten, in de achtertuin.  Het was het begin van de avond, net na het avondeten. Terwijl ik naar de tuin stond te kijken, waar ik door omstandigheden dit jaar nog veel te weinig aan heb gedaan, hoorde ik een geluid dat ik meteen herkende: het stuiteren van een bal in het gangetje tussen ons huis en dat van mijn buurman. Het gangetje voert naar het voetbalveldje hier in de wijk en wordt veelvuldig gebruikt door kinderen. De stuit van de bal op de trottoirtegels wordt weerkaatst door de muren van onze huizen. Een echo is het niet echt, een galm evenmin. Het is alsof het geluid van de bal wordt overgenomen door de muren en versterkt wordt doorgegeven. Ja, alsof de twee muren, die op niet meer dan krap vier meter van elkaar staan, elkaar het geluid toeroepen: kabauwwauw, kabauwauw, kabauwauw. Hartslag van de jeugd. Hartslag van de zomer.
En meer nog dan de langer wordende dagen, de uitbottende struiken of de crocusjes, narcissen en andere voorjaarsbloemen die zich tonen, is het dit geluid dat voor mij de komst van de zomer aankondigt.
Ik luisterde naar het wegstervende stuiteren van de bal. Naar de zachter wordende stemmen van mijn overbuurman en zijn zoontje. En plotseling vroeg ik mij af of ik ooit zelf nog een balletje zou trappen.
Met het ouder worden van mijn zoon is wellicht mijn laatste alibi verdwenen.

Straatmeid

Nee, dan onze papaver. Ooit als zaad gekregen beschildert zij elk jaar onze tuin met zwermen lichtpaarse toetsen. Dit jaar is zij, vrijgevochten als ze is, uit de ommuringen van onze achtertuin gebroken. Zag haar zonnebaden tegen het muurtje van een schuur, ergens in de straat. In het strookje zand tussen twee stoeptegels. En naast ons voorwiel in een parkeerhaventje verderop. Streetwise en onbezorgd. Dat zou onze roos nooit durven. Die blijft staan waar ze staat en alleen bij het zien van de papaver al slaat ze met blozende wangen de ogen naar beneden. ‘En dan de taal die zij uitslaat,’ fluistert ze zacht.

Papaver

Juffertje in ‘t groen

Het is zo’n 12 jaar geleden, denk ik. Volgens mij werden de zogenaamde David Austin rozen toen net populair in Nederland. En ik moet zeggen dat ze ook prachtig waren, op papier.
Ik bestelde een brochure die mij vanuit Engeland werd toegezonden. Uren kon ik daar in bladeren. A Shropshire lad, Charles Rennie Mackintosh, Chaucer, Fair Bianca, Katrhryn Morley, Lochinvar, Queen of Sweden, Scarborough Fair, Constance Spry. Ik verlustigde mij aan de foto’s en de namen, werd er hebberig van, wilde ze allemaal en kocht er uiteindelijk drie.
Ik moet zeggen dat ik het boek beter vond. De bladeren raakten snel aangetast, de stelen waren slap en behoefden ondersteuning en de bloemen, ach, de bloemen waren prachtig, voor een dag. Steeds hoorde ik de opmerking van een vriend van mij in mijn hoofd, die zei dat-ie het maar verfrommelde zakdoekjes vond.
En zo verdwenen ze weer uit onze tuin, mijn David Austin rozen, hoewel ik hun namen soms nog steeds voor mij uit fluisterde op een bewolkte dag: Charles Rennie Mackintosh, Chaucer, Constance Spry.
Dit voorjaar konden wij de verleiding niet weerstaan en probeerden het nog een keer. Met één struik, dit maal. De keus viel op een Heritage. ‘A flower of delicate shell-like beauty,’ volgens de catalogus. ‘The blooms are of perfect, cupped formation (…) a very soft, clear pink at the centre, while the outer petals are almost white.’ En dan de geur, die heeft ‘a beautiful fragrance, with overtones of fruit, honey and carnation on a myrrh background.’
De bloem is zeker niet onaardig, al begint-ie al te verwelken als-ie goed en wel open is. En de geur? Ik zou het niet weten. Ik moet met mijn rug op de grond gaan liggen om mijn neus bij de bloem te krijgen. Maar dit keer geef ik  haar de tijd, mijn nerveuze, lichtgeraakte juffertje, kouwtje bij elk kiertje tocht, huilbui bij elke stemverheffing, een verfrommeld zakdoekje in de hand.
En ach, anders hebben we altijd de foto’s nog.

heritage