You are currently browsing the tag archive for the 'natuur' tag.
Ik begrijp niets van de knieval voor het populisme die politici in het klimaatdebat nu plotseling maken. En van de gretigheid waarmee journalisten op diezelfde politici inhakken evenmin. Angst. Angst en opportunisme, anders kan ik het niet verklaren. Nederland loopt niet voor 55, maar voor 26% onder water. God, wat hunker ik naar een politicus die zegt dat 26% hem meer dan genoeg lijkt. Of nog liever een reactie in de stijl van mijn zoon: ‘Lekker belangrijk.’
Op mijn stem zou hij of zij kunnen rekenen.
Vorige week zondag joggte ik samen met zoonlief een rondje door het natuurgebied achter onze wijk. Het was wit. Er lag nog sneeuw en ijs en substanties die daartussen het midden hielden. U hoort het al: een liefhebber van de winter ben ik niet. Maar om doorheen te rennen was het een bekoorlijk landschap, ik kan niet anders zeggen. Zeker wanneer je het doet samen met je zoon. Al neem ik dan ook met een industrieterrein genoegen.
Halverwege ons rondje zagen we bij een slootje een reiger staan. Zoals ze meestal doen, reigers. Ik vraag me altijd af of zij iets zien dat ik niet zie, of dat ze simpel van geest naar een morsig slootje staan te staren. Of om met Louis van Gaal te spreken: ‘Ben ik nu zo slim of ben jij nu zo dom.’ Maar met deze reiger was toch wel iets bijzonders aan de hand: hij was wit, witter dan alle sneeuw en ijs om ons heen. Ik wees mijn zoon erop die zijn schouders ophaalde en zei: ‘Dat zijn ze toch altijd.’
Thuisgekomen was ik het beest eerlijk gezegd al weer vergeten. U hoort het al: een echte vogelaar ben ik niet. Maar afgelopen zondag hoorde ik Koos van Zomeren in zijn column op de radio iets zeggen over een sneeuwwitte Zilverreiger en toen schoot hij me weer te binnen, de vogel die ik had gezien. Ik zocht op internet naar een plaatje van de Zilverreiger en verdomd, het was hem echt. Schijnt tamelijk zeldzaam te zijn. Wat met terugwerkende kracht ons rondje iets bijzonders gaf.
Afgelopen zondag rende ik hetzelfde rondje, maar van de Zilverreiger nu geen spoor. Bleef wel zitten met de vraag waarom ze het dier nu de naam Zilverreiger hebben gegeven. Die lijkt me nu echt veel meer geschikt voor zijn grijze soortgenoot.
Op een herfststige zondagochtend een wandeling in het Amsterdamse Bos. Lekker weer, mooi licht, fel gekleurde bladeren, veel volk. Niets mis mee, met zo’n ommetje, zonder pretenties. Dat kan niet gezegd worden van dit stadspark: zoals bijna overal ontbreken ook hier de Schotse hooglanders niet. ‘Houd 25 meter afstand,’ meldt het bordje bij de ingang van dit stukje bos. Zal niet meevallen in dit gebiedje van postzegel formaat. De runderen zelf trekken zich er in ieder geval niets van aan. De wandelaars ook niet. Ik heb er al vaker over geschreven en blijf het potsierlijk vinden. ’Hoeveel van die beesten lopen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?’ vroeg ik mij in 2005 af. Hier waren het er in ieder geval veel. Net als het aantal Schotse uitwerpselen. Dat leverde nog koddige taferelen op doordat zij voor een groot deel schuil gingen onder het kleurrijke bladertapijt. Zag overal wandelaars in zondagse kleren de schoenen aan het gras afvegen. Moest toen opeens weer aan onze ooievaars denken. Het blijft vreemd gesteld met de natuur in Nederland.
Het blijft vreemd gesteld met de natuur in Nederland. Sinds het voorjaar van 2008 hebben wij ooievaars in ons nieuwbouwwijkje aan de rand van Amstelveen. Ze kwamen met z’n tweeën en streken neer op een grasveldje in de schaduw van een flatgebouw. Ze deden niet veel. Of eigenlijk deden ze niets. Zelfs het bewegingloos en geduldig wachten op een wallekant van een reiger leken ze niet te kunnen opbrengen. Soms nam een van de twee plaats op een lantaarnpaal, dat was al.
Op een zeker moment was een van de twee verdwenen. De achtergebleven ooievaar stond nu in zijn eentje in het grasperkje, waar hij soms het gezelschap van een reiger zocht. Tegennatuurlijk, vonden wij – en had die ooievaar niet altijd al iets van een potloodventer in een smoezelige regenjas gehad?
Ergens in de zomer van 2009 stonden er plotseling drie. In het zelfde perkje bij het zelfde flatgebouw; de lantaarnpaal leek zijn aantrekkingskracht te hebben verloren. Wij vroegen ons af hoe het nu precies zat met deze ménage à trois. Was er sprake van een echtpaar? Was een van hen de nakomeling van de andere twee? Broeden hadden we ze nooit zien doen. Dat wat daaraan voorafgaat evenmin. Ook was er geen enkel uiterlijk teken dat erop wees dat een van hen jonger was dan de andere twee.
Ik had mij sinds hun verschijnen in de wijk afgevraagd of ooievaars niet moesten trekken. Zo stond het me toch echt bij, dacht ik. Een paar weken geleden las ik in de column van Koos van Zomeren dat er inmiddels een grote populatie ooievaars in ons land is die dat niet meer doet. Het gaat hier om vogels die het product zijn van het broedprogramma dat in de jaren zeventig is gestart. Omdat het dier toen zo goed als verdwenen was in Nederland. Ik begrijp ze nu iets beter, onze ooievaars.
Laatst, op een mooie herfstzondag, stond ik voor onze tuindeuren en keek naar buiten. Na een tijdje zag ik hen, met z’n drieën, hoog in de lucht. Ze vlogen een rondje, een kleine rondje, met een doorsnede van niet meer dan dertig meter. Enigszins stuntelig vlogen ze achter elkaar aan. Wat wankel in de vleugels, als een klein kind dat voor het eerst zonder zijwieltjes fietst. Ik stelde me voor hoe een van hen plotseling een kriebel had gekregen en met zijn vleugels was gaan wapperen, als in een opwelling vanuit een al lang vergeten instinct. En hoe ze straks weer op het grasperkje zouden staan, dicht op elkaar, een blos op de wangen. ‘Wel apart, dat vliegen,’ begint de een. ‘Moest er even aan wennen, maar niet onprettig,’ zegt de ander. ”t Is weer eens wat anders,’ voegt de derde eraan toe.
Ik maakte vanmiddag een kleine wandeling door het poldertje bij ons achter. De zon stond laag en waaierde met royaal gebaar het licht over het landschap uit. Er stond een harde wind, harder dan ik had gedacht. De rietpluimen bogen. Het wateroppervlak rilde genotzuchtig. En ondertussen werkten ganzen hun dagelijks portie gras naar binnen. Bagger lag op de slootkanten uitgespreid. Ik zag hier en daar een mee omhoog gekomen zoetwatermossel. Gekraakt en leeggeroofd door een vogel. Eentje was bijna net zo groot als mijn hand. Met opengespreide schelp stak hij als een parelmoeren vlinder uit de zwarte bagger. Handen omhoog of ik schiet. Animal planet in de polder. Het spektakel ligt soms om de hoek.
Ik zag vorige week hier in een plantsoentje tussen straat en stoep een groepje paddenstoelen staan. Aan de voet van een boom. Kleine, witte kegeltjes waren het, een stuk of tien. Met de kop in de aarde gezet. Na een paar dagen waren de lichaampjes als parapluutjes opengeklapt. Ze staan er elk jaar. Een paar dagen slechts: ze vergaan snel. Ik fietste er een paar keer langs en elke keer zei ik zachtjes tegen mijzelf ‘Funghi in cittá‘, naar het verhaaltje uit Calvino’s bundel Marcovaldo.
Soms heb je dat – ik ben vast de enige niet. Dat je op bijna dwangmatige wijze iets moet zeggen. Op een bepaald moment. Bij een bepaalde handeling. Een gebeurtenis. Een dag in het jaar. En dan elke keer weer.
Zo mompel ik elk jaar rond deze tijd als ik naar de tuin kijk de zin ‘Het grote sterven is begonnen’ zachtjes voor me uit. Ik weet zeker dat ik ze niet zelf heb bedacht: maar waar komen die woorden ook al weer vandaan?
Ik moest eraan denken toen ik een paar dagen terug over cruisende homo’s in het Vondelpark las. Aan een stukje dat ik een jaar of wat geleden schreef.
‘Ik fietste laatst door een parkje aan de rand van Amsterdam, ingeklemd tussen de A4 en het Nieuwe Meer. De zon scheen, de berm was getooid met schuimkoppen van Fluitekruid en ik fietste er zo onverwacht plezierig dat ik bijna het geraas van het verkeer over de A4 vergat. Ik passeerde een wildrooster, wat mij natuurlijk had moeten alarmeren, en geheel onverwachts vond ik toen weer zo’n langharig beest op mijn pad. Ik vond het een tikje overdreven voor de omvang van dit stukje natuur: hoeveel van deze dieren liepen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?’
Later zag ik dit stukje natuur terug, op televisie. Het bleek behalve door Schotse Hooglanders ook in het bezit genomen te zijn door cruisende homo’s. Dat was voor het eerst dat ik dat woord hoorde. Of de combinatie liever van die twee woorden naast elkaar. Had tot dat moment eerder gedacht aan twee geliefden van gelijk geslacht die een boottripje maken.
Het zou om te lachen zijn als het niet zo triest was. Vooral dat beeld van langharige runderen en blote mannen. Op een klein stukje wildernis.
Grote grazers en cruisende homo’s: natuur in Nederland.
