You are currently browsing the tag archive for the 'muziek' tag.
Maar goed, over Lhasa de Sela dus. Ik kwam met haar in aanraking door het duet met Stuart Staples dat ik een paar dagen geleden plaatste. Een merkwaardige carrière heeft ze doorgemaakt. Zal dat hier niet allemaal oprakelen. Googelt u maar even op haar naam, dan wordt haar hele doopceel in een tel gelicht. Of doe dat niet en kijk gewoon. Kijk en luister. En laat u betoveren door haar stem.
Met Ramses Shaffy heb ik nooit echt iets gehad. In de jaren zestig was hij te springerig en te ongrijpbaar om voor mij als kind te begrijpen. Toen ik dat op latere leeftijd wel kon, vond ik dat er niet zo heel veel te begrijpen was. Dinsdagavond zat ik een tijdje in de auto en hoorde op de radio zijn muziek langskomen. Tijdens het nummer ‘We zullen doorgaan’ kwamen er zinnen uit mijn herinneringen bovendrijven als ‘het graan heeft de orkaan doorstaan om door te gaan’, maar hoe ik ook wachtte, ik hoorde ze niet. Pas toen zich bij die zinnen het potsierlijke ‘tot we aan het gaatje zijn’ voegde, realiseerde ik mij dat zij afkomstig waren uit de parodie op het liedje die André van Duin ooit had gemaakt. Terwijl ik door het donker reed, bedacht ik dat ze goed beschouwd niet zo heel veel van elkaar verschilden, de serieus bedoelde regels en de parodie.
Misschien is het enige verschil tussen de twee wel het geloof. Veel dingen zijn slechts serieus te nemen zolang je erin gelooft. Dat geldt zeker niet alleen voor religie, maar ook voor kunst, sport, werk, liefde en sex. Zodra je er enige afstand tot neemt, dan krijgt het iets potsierlijks. En misschien is dat dan wel weer het wezen en de wezenlijke functie van humor: het perspectief van de ongelovige. Voor wie niets heilig is.
Zijn liedjes appelleerden succesvol aan onze behoefte om te geloven, besloot ik mijn autorit. Daar is niet zo heel veel mis mee. Maar ik zie het toch ook graag onderuit gehaald, op zijn tijd.
Stuart Staples kennen we als de zanger van Tindersticks. Het duet This leaving feeling komt van zijn solo CD Leaving songs uit 2006. Ik ben gek op zijn stem. De zangeres heet Lhasa de Sela, over haar later meer. Maar haar stem, ik ben er weg van. Luister zelf maar eens.
Johnny Marr bespeelde een 12-snarige Rickenbacker. Nu net niet op het filmpje hieronder, maar doorgaans wel. Het is het typische geluid van deze gitaar, een geluid dat over het algemeen met de term ‘twangy’ wordt aangeduid, dat de sound van The Smiths voor een groot deel bepaalde. Samen met Morrissey’s stem uiteraard. Hij was niet de enige, Marr. Denk aan The Byrds en u denkt aan een Rickenbacker.
Mooi woord vond ik dat vroeger altijd, Rickenbacker. Ik had zelf een namaak Les Paul, maar eigenlijk wilde ik een Telecaster. Ooit verkocht, trouwens, die Les Paul, toen ik in geldnood zat. Rickenbacker. Brengt de geur van gitaarversterkers bij me boven. Heerlijke geur was dat. Zou nog wel eens een muziekinstrumentenwinkel willen binnen lopen om eventjes aan een Vox AC 30 te ruiken. Zou dat heel raar staan?
Laatst liep ik langs een kapsalon. Uit de deuropening dreef die typische geur van kapsalons. Had ik lang niet meer geroken: ik ga al jarenlang onder de tondeuse bij echtgenote. Zou graag weer eens naar de kapper gaan. En dan de woorden wassen-watergolf uitspreken. Zou dat heel raar staan?
Brengt me bij een andere geur die ik al jarenlang mis: de geur van een sigarenzaak. Ik heb een grondige afkeer van roken en sigarettenrook. Maar de geur van sigarenzaken met een wand vol pakjes sigaretten, kistjes sigaren, Bazooka kauwgum, rijen tijdschriften, Robbedoes, Kuifje, Marvel. Een sigarenzaak. En dan het liefst van een gewezen profvoetballer. Sjaak Swart. Bennie Muller. Frits Flinkevleugel. Gewoon naar binnen lopen, ogen dicht doen en de geur opsnuiven. Zou dat heel raar staan?
Eerder deze week gaf Morrissey een concert in De Vereeniging in Nijmegen. Ik wist het niet, maar las later een enthousiaste recensie in de NRC. Niet dat ik anders gegaan was, dat niet. Ben altijd bang dat de houdhaarbeidsdatum van jonge helden zal zijn verstreken. Hij is inmiddels 50, Steven Patrick Morrissey. Johnny Marr is 46. Hun liedjes nog altijd tijdloos.
Op zaterdag 21 april 1984 ging ik met een vriend naar De Meervaart, naar een feest georganiseerd door het muziektijdschrift Vinyl. Wij waren eerst nog naar Ajax-PSV gegaan, een wedstrijd die Ajax met 1-0 won, en arriveerden wat later in Osdorp, tijdens het concert van Nick Cave. Maar we kwamen toch alleen maar voor The Smiths.
Ik wist nooit wie van de twee nu echt mijn favoriet was, frontman Morrissey of stille kracht Marr. De charmante poseur met grote mond of de engelachtige gitarist met het fonkelende, lichtvoetige gitaarspel. Maar uiteindelijk was het natuurlijk het duo dat overrompelde, zoals zoveel van die Engelse duo’s: zanger en gitarist, tekstschrijver en componist, Morrissey en Marr. Hun namen klonken al klassiek nog voor zij een letter en noot op papier hadden gezet.
Morrissey zong die avond wat onvast, wat hij altijd zou doen. Marr’s gitaar had te lijden onder het slechte geluid. Nee, het was geen fantastisch optreden, maar wat gaf het. Het was 1984. Ajax speelde met de piepjonge Bosman, Vanenburg, Van Basten, Rijkaard, Silooy en Koeman. Morrissey droeg zijn narcissen in zijn kontzak en Marr droeg een strass kettinkje om zijn hals. Althans, zo herinner ik het mij.
Overigens zouden we Mina, of Mina Mazzini zoals haar volledige naam luidt, kunnen kennen. Van het lied Parole, parole dat ze samen met acteur Alberto Lupo zong, hoewel dat vooral in de versie van Dalida en Alain Delon een hit is geworden.
Moeilijk te zeggen welke mooier is. Oordeel zelf. Dat Delon beter is dan Lupo, dat behoeft geen betoog.
Ik was deze zomer in Italië. In Pogerola, een dorpje dat driehonderd meter hoog boven Amalfi tegen de heuvels ligt geplakt. Op een dag lieten wij ons met een bootje naar het even verderop gelegen Spiaggia Duoglio brengen, een strandje omsloten door steile kliffen. We huurden er een parasol en twee bedjes bij een strandtentje dat de naam I due scugnizzi droeg, wat in het Napolitaans zo veel wil zeggen als ‘de twee straatjongens’. Die twee straatjongens waren twee oude mannetjes, die waarschijnlijk met z’n tweeën al een half leven lang het strandtentje bestierden. Niet zonder succes overigens, want het strandje was vol, de espresso subliem en het eten heerlijk. Ze draaiden er bovendien fantastische muziek, die, toen ik er naar vroeg, van de zangeres Mina bleek te zijn. Het waren Napolitaanse liederen, zo legde een van de twee straatjongens me uit, live opnames, met spaarzame jazzy begeleiding die soms ook wel iets van Astor Piazzolla weg had. De entourage van het strand, de branding, de rotsen, de vakantie, de wijn en de zon, het zal ongetwijfeld mee hebben gespeeld, maar dat ik deze muziek ook thuis bij de centrale verwarming prachtig zou vinden, dat wist ik zeker.
Thuisgekomen ging ik op zoek. Google, YouTube, de inmiddels spaarzame hoofdstedelijke speciaalzaken op muziekgebied. Ik vond veel, heel veel, maar de muziek die ik bij de Napolitaanse straatjongens had gehoord die vond ik niet. Sommige nummers komen in de buurt. Deze, het Spaanstalige Nostalgias, vind ik een van de mooiste die ik ben tegengekomen. En als ik mijn ogen sluit, dan is het bijna, bijna, maar net niet helemaal.
Wat men ook mag beweren, er is natuurlijk maar een artiest die aanspraak mag maken op de titel King of Pop en dat is Paddy McAloon, oprichter en frontman van Prefab Sprout en singer-songwriter van kristalheldere popsongs als When love breaks down, Appetite, Bonny, Johnny Johnny, Moving the river, Cars and Girls, The sound of crying en Looking for Atlantis. Ik kocht hun debuutelpee Swoon in 1984. Maar het was vooral het geniale tweede album Steve McQueen dat McAloon zijn plaats in mijn Hall of Fame opleverde. Ik moet bekennen dat ik de groep na het in 1990 uitgekomen Jordan: the Comeback uit het oog verloor. Ik denk dat het een van de laatste platen is geweest die ik op Vinyl kocht en die overstap markeert in meerdere opzichten een cesuur in mijn muziekcollectie. Pas in 2007 vond ik hen weer terug, toen ik voor een luttel bedrag Kings of Rock & Roll kocht, een Best of dubbel CD.
McAloon werd op 7 juni in Durham geboren. Hij paart vakmanschap aan eigenzinnigheid, gevoel voor traditie aan durf, een sierlijke schrijfpen aan een groot muzikaal talent, gevoel voor humor aan diepe ernst en een mooie, typisch Britse stem aan een even Britse hang naar absurdisme, en verenigt zo Lennon en McCartney in één persoon. Nadat eerst zijn gezichtsvermogen door een ziekte was aangetast, is de laatste jaren ook zijn gehoor, ten gevolge van de ziekte van Ménière, achteruitgegaan. Niettemin zou, volgens de website van Kitchenware Records, begin dit jaar een nieuw album met de titel Let’s the change the world with music – The Blueprint uitkomen. Ben benieuwd of Barack Obama fan is.
Van zulk weer krijg je spontaan last van een goed humeur. Van zo’n liedje ook.
Ik kocht laatst Down by law, van Jim Jarmusch. Ik moet de film in de tweede helft van de jaren tachtig een keer of vier gezien hebben, daarna niet meer. Hij kreeg een plaats in mijn persoonlijke Top 10 en is daar niet meer uit verdwenen.
John Lurie, Tom Waits, Roberto Benigni, Jarmusch zelf: ik denk dat ze toen op hun best waren. Wat alle vier daarna nog maakten was alleen maar minder. Mijn favoriet was John Lurie, de meest coole gast die ik ooit had gezien. Ik kende hem van The Lounge Lizards en zag hem voor het eerst in Permanent Vacation. Mister Cool. Ik denk niet dat hij een groot acteur was, maar niemand kon zo mooi met zijn duim langs zijn lippen strijken als hij.
Lurie lijdt sinds het begin van deze eeuw naar eigen zeggen aan een onbekende neurologische aandoening, die hem ervan weerhoudt om te acteren of op te treden. Hij verblijft het grootste deel van de tijd in zijn atelier, waar hij schildert. Hij is nu 55 jaar.
‘It’s a sad and beautiful world.’

