Het was op een zondag, een paar weken geleden. Een mooie zondag waarop ik met mijn vrouw door de Amsterdamse Waterleidingduinen liep. Met haar en vele andere wandelaars, die je overigens na een paar minuten en evenzovele afslagen bijna niet meer zag. De andere wandelaars dan; mijn vrouw bleef aan mijn zijde. Wie je wel regelmatig bleef tegenkomen waren de damherten. Of eigenlijk struikelde je er bijna over. De populatie is zo groot dat er sprake schijnt te zijn van overlast en het voornemen om er een aantal af te schieten. Het blijft lastig, natuur in Nederland.
Toen wij daar over de zandpaden liepen en ons herinneren hoe we het er vroeger, toen onze zoon nog klein was, met een enkele hoefafdruk moesten doen, schoot mij plotseling een herinnering te binnen van nog veel oudere datum. Aan een advertentie die ik ooit als kind had gezien. Of het nu was in de Kuifje, Pep of Robbedoes, dat weet ik niet meer, maar het was in een stripweekblad, dat weet ik zeker. De advertentie had zelf ook de vorm van een kort, paginagroot stripverhaal. Hij is een aantal malen geplaatst, tenminste, dat denk ik: ik weet bijna zeker dat ik hem destijds meerdere malen heb gezien. Het stripverhaal ging over een paar jongens, misschien padvinders, misschien ook niet. Ze lopen door een bos, stuiten op dierensporen en vragen zich af om welk dier het gaat. Een van die jongens blijkt schoenen te hebben waarvan de zool is uitgerust met een profiel waarin de afdrukken van dierensporen zijn verwerkt. De afdruk van zijn schoenen laat een handvol poot- en hoefafdrukken zien, met daaronder, in kleine letters, de naam van het betreffende dier.
Ik weet niet hoe ik onder woorden kan brengen hoezeer ik onder de indruk was van deze schoenen.
Terwijl ik dit onder een zwak winters zonnetje aan mijn vrouw vertelde, bracht de ene herinnering een andere met zich mee: die aan het Grote Woudlopers Handboek, van Kwik, Kwek en Kwak. De herinnering stamt uit dezelfde tijd: de tweede helft van de jaren zestig, de tijd waarin ik opgroeide en stripverhalen mijn zucht naar kennis en avontuur bevredigden en tegelijkertijd aanwakkerden. Het was een boek waarin alle antwoorden op alle vragen stonden, dat Grote Woudlopers Handboek. Een onuitputtelijke schat aan informatie, het Boek Waar Alles in Staat, het Boek der Boeken – voor een kleine jongen uit Amsterdam-West.
Dat bracht mij op het volgende.
Toen mijn zoontje tussen de twee en drie jaar oud was, had hij, zoals de meeste kinderen van die leeftijd,de gewoonte zijn vellen tekenpapier te vullen met een bonte mengeling van krassen en cirkels. Tekeningen die een enkele keer een verrassend totaalbeeld opleverden, waarin de kleurencombinatie, lijnvoering of vlakverdeling je kon treffen, maar die meestal toch niet meer waren dan de elementen waaruit ze waren opgebouwd: een wirwar van strepen, krullen en kleuren. De massaproductie die hij hierbij aan de dag legde, droeg zeker bij aan dit effect. Toch antwoordde hijzelf elke keer als ik hem vroeg wat hij aan het tekenen was op serieuze toon ‘een vogel’, ‘een auto’, ‘een tijger’, of welk onderwerp hem in die dagen dan ook in zijn greep hield. Ik heb mij elke keer, toen en tot op de dag van vandaag, afgevraagd of hij dat zelf geloofde. Of beter gezegd, of hijzelf in die voor mij onleesbare tekens iets anders las dan ik. Zag hij werkelijk die vogel, auto of tijger? Soms klonk hij tamelijk overtuigend en wist hij zonder moeite vleugel, wielen of staart aan te wijzen. Meestal overigens op een plek waar ik die niet vermoedde.
Langzaam maar zeker worden wij gedurende onze kinderjaren de kunst machtig om dat wat wij zien, in onze fantasie of in de werkelijkheid, te reproduceren. Altijd gaat het waarnemen aan het reproduceren vooraf. Het zien aan het tekenen, het lezen aan het schrijven. Ook als we het hebben over iemand die zich, in ieder geval zo nu en dan, schrijver mag noemen.
Met de schrijver en bibliofiel Alberto Manguel denk ik dat ik misschien zou kunnen leven zonder te schrijven, maar niet zonder te lezen. Of zoals hij schrijft in Een geschiedenis van het lezen: ‘Wij lezen allemaal onszelf en de wereld om ons heen teneinde een glimp op te vangen van wat we zijn en waar we zijn. We lezen om te begrijpen, of een eerste inzicht te verwerven. We moeten wel lezen. Lezen is, bijna evenzeer als ademhalen, onze essentiële functie.’
Ik kan mij, zoals waarschijnlijk iedereen, de eerste kinderboeken die mij voorgelezen werden en die ik zelf las, nog goed herinneren. Ik zal de titels en hoofdfiguren hier niet gaan opdreunen. Het gaat mij niet om de nostalgie, of de couleur locale van een tijdperk, maar om Het Boek, geschreven met hoofdletters, het mythische boek uit de kindertijd. Elk boek, en elk boek weer, was in die jaren een wereld, een oneindige wereld, die je een thuis bood en waarin je kon wegvluchten. Niet omdat de werkelijkheid iets was waaraan je moest ontsnappen, maar simpelweg omdat het boek je naar binnen lokte en betoverde. Of in de woorden van de filosoof Walter Benjamin die ik ooit eens las en noteerde: ‘Je las een boek niet door; je woonde erin, je verbleef tussen de regels.’
Zo kon ik later, toen ik groot was, bijna niet geloven dat de wereld van Winnie The Poeh, dat gebied van het ‘100 aker wood’, de ‘six pine trees’ en ‘the north pole’, waarin ik zoveel uren, dagen, of moet ik zeggen kilometers, had rondgezworven, niet meer dan twee deeltjes met elk tien verhaaltjes besloeg.
Behalve een schuilplaats biedt het lezen in de kindertijd ook een perspectief op het leven: dat van de waarnemer, de beschouwer, die in de werkelijkheid ziet, of zoekt, wat hij in zijn eigen particuliere belevingswereld eerder heeft gezien en gelezen. Althans, dat denk ik. Net zoals ik denk dat dit lezen uit de kindertijd, dit jezelf verliezen en weer vinden in de boeken, voorafgaat aan het schrijven dat wij later doen. Of wat ik doe, beter gezegd.
Wat is het schrijven anders dan het heropbouwen van die oneindige wereld, waarin het verhaal, anders dan in het leven, niet ophoudt, of in ieder geval weer opnieuw gelezen kan worden?
Het was een aangename wandeling, die zondag, waarop wij de damherten bleven bewonderen, hoe veel wij er ook zagen. We sloten hem af bij de kleine uitspanning De Oase, zoals onze eigen kleine traditie het wil. Zelfs reden we nog even door naar Zandvoort: als je zo dicht bij zee bent, moet je er toch even langs om naar de golven te gaan kijken.
Damherten, schoenen, woudlopers.
Als de bron van het schrijven daar ligt, in The Never Ending Story, in de wereld van het oneindige kinderboek, en als wij de echo van dat verhaal ook later nog steeds horen doorklinken in de literatuur die wij lezen en schrijven, betekent dat dan dat er niets is veranderd?
Misschien niet veel meer dan dat wij op een zeker moment geen boeven en schatten meer najagen, maar alleen nog op zoek zijn naar een schim uit het verleden, of naar onszelf.
Tagarchief: lezen
E-lezen
Ik heb niets tegen het e-book. Sterker nog, ik vind het een uitdagende uitbreiding van de mogelijkheden van de schrijver. Van toekomstvisies heb ik weinig kaas gegeten. En van digitale toekomstvisies al helemaal niet. Maar in alle opwinding over de vermeende opkomst van het e-boek weet ik één ding zeker: dat het, zoals ik op de kop af twee jaar geleden hier al schreef, in gekopieerde versie over de elektronische snelweg van huiskamer naar huiskamer zal zoeven. Of zoals Lemniscaat uitgever Boele van Hensbroek het afgelopen vrijdag zei in de NRC: ‘Zodra iets een bestand is, ben je het kwijt.’
Het probleem van piraterij wordt vreemd genoeg meestal over het hoofd gezien. In de toekomstvisioenen die ons voorgespiegeld worden is de schrijver een auteursmerk, iemand die aan het hoofd staat van een eigen werkplaats, wiens boek gedownload wordt en die twitterend zijn digitale volgers op de hoogte houdt. Het 360-gradenmodel, noemt uitgever Joost Nijsen dit, met een term uit de muziekindustrie. Maar laten we eens kijken naar die muziekindustrie. ‘Verwordt dan het gedrukte boek ook tot marketinginstrument?’ schreef ik op 30 januari 2008. ’Ben alleen wel benieuwd waar wij schrijvers dan ons brood mee moeten verdienen. Zie de Arena nog niet zo snel vollopen voor een voorleesbeurt van een van mijn collega’s.’
Of met andere woorden: van twitteren kan mijn schoorsteen niet roken. Van mijn boekverkoop overigens ook niet, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Op de vlucht
Laatst zat ik op het station van Hoorn te wachten op de trein die mij terug naar Amsterdam zou brengen. Ik had nog een minuut of twintig, pakte een boek uit mijn tas en dompelde mij erin onder. Na een tiental minuten vroeg een stem mij wat ik aan het lezen was. Ik keek op en zag een man die was opgestaan van zijn bankje rechts van mij en nu voor het mijne stond. Hij droeg een spijkerbroek, een grof gebreide trui en een kort jackje. Hij had kort haar en een gezicht met trekken die ouder waren dan hijzelf. Ik schatte hem een jaar of veertig.
Ik liet hem de voorkant van het boek zien: Een vrouw op de vlucht voor een bericht, van David Grossman.
‘Is het goed?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik denk het wel.’
‘Waar gaat het over?’
Ik legde hem aan de hand van de titel in het kort de inhoud van het boek uit. Hij knikte, stelde een vraag, maakte een opmerking en stak toen zijn hand uit.
‘Sorry, dat ik je zo lastig val,’ zei hij, ‘vind je toch niet erg, hoop ik? Ik heet Peter.’
Ik zei dat hij me in het geheel niet lastig viel, schudde zijn warme hand en stelde me voor.
‘Ik ben gek op boeken,’ zei hij, ’ik heb er thuis 5000. Dit lijkt me een goed boek, ik denk dat ik het ga kopen.’
‘Ik kan het je aanbevelen.’
‘Op de vlucht voor een bericht. Ik ben zelf ook op de vlucht, zou je kunnen zeggen, op de vlucht voor mijzelf.’
Ik verkoos niet op zijn opmerking in te gaan.
‘Maar ja, misschien zijn we allemaal wel ergens voor op de vlucht, toch?’
Ik knikte.
‘Ik zal je niet langer storen, René,’ zei hij en hij liep terug naar zijn bankje. Ik sloeg het boek weer open en hervatte mijn lezen.
‘Denk je dat ze het in de stationskiosk hebben?’ vroeg hij van een afstand.
Ik knikte. ‘Dat denk ik wel, ja.’
Even later kwam de trein het stationnetje binnen glijden. Ik liep een stukje het perron af, voor de zekerheid, zocht een zitplaats uit, installeerde mij en ging weer verder met lezen.
Hij had een andere plek gevonden, Peter. Ik neem tenminste aan dat hij wel in de trein is gestapt. Maar waar naar toe? Ik weet het niet. Waar stond dat huis met 5000 boeken? Ik keek op van mijn boek de donkere avond in en hoopte dat hij er in ieder geval één vond. Eén huis. En één boek.
Telefooncel
Ik begon deze draad van berichtjes, de stream of consciousness van onze tijd, met een tweetal notities over een telefooncel. Ik voeg daar nu, ruim twee jaar later, een derde aan toe. Ik kwam hem tegen op de onvolprezen boekennieuwssite van Dirk Leyman ‘De papieren man’. Het gaat om een rode, Engelse telefooncel in het dorpje Westbury-sub-Mendip. Ook in het traditierijke Engeland verliezen telefooncellen hun functie. Soms worden zij verkocht en krijgen een nieuwe bestemming. In Westbury-sub-Mendip, gelegen ten zuiden van Bristol en Bath, is een telefooncel verbouwd tot de kleinste bibliotheek van Groot-Brittannië. Vierentwintig uur per dag geopend, elke dag van het jaar. Met een collectie van inmiddels meer dan honderd boeken. Wie een boek leent, zet daar een ander boek voor in de plaats. Ach, wat lees ik dit soort berichtjes graag.
Laagland (2)
In de Nederlandse vertaling luidt de titel van Joseph O’Neill’s boek Laagland. In het origineel is dat Netherland. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat O’Neill met zijn titel bewsut de associatie met Neverland heeft gelegd. In de vertaling is die verdwenen. Kijk ook eens naar de cover van het origineel. Neverland of niet, altijd beter dan het schaatsende jongetje van de Nederlandse versie.

Laagland
Mooi boek, Laagland van Joseph O’Neill. Geen 9/11 roman, daar had het boek wat mij betreft zelfs zonder gekund. En ook had er naar mijn smaak wat gesneden mogen worden in het gezever over zijn huwelijk(sproblemen). Ook de Dutch Connection speelde geen enkele rol in mijn waardering voor het boek. Nee, in feite zijn er slechts twee redenen waarom ik het toch een mooie roman vond: het thema van the Americain Dream en het dromen van cricket. Vooral dat laatste was naar mijn hart. Niet dat ik zo’n cricketfan ben, dat niet. Het had van mij elke andere sport mogen zijn. Ik heb nooit echt op hoog niveau gevoetbald, tot mijn spijt, maar de volgende passage had ik kunnen schrijven. Ook ik droom nog dikwijls van doelpunten gescoord op een veldje in een Amsterdams park, in de zaal van het Universitair Sportcentrum of op een Amsterdams voetbalveld. En die momenten, in tegenstelling tot zoveel andere die belangwekkender zouden moeten zijn, liggen inderdaad in de kern van wat ik voor het gemak dan maar mijn ‘Zelf’ noem.
‘Ik vind het moeilijk mij een te voelen met die voormalige zelven wier ongelukken en inspanningen mij mede gevormd hebben. De schooljongen aan het Gymnasium Haganum; de student in Leiden; de onnozele trainee executive bij Shell; de analist in Londen; zelfs de dertigjarige die met zijn opgewonden jonge vrouw naar New York vloog: mijn gevoel is dat die allemaal zijn vervaagd, in de loop der jaren, en uiteindelijk verdwenen. Maar ik denk nog steeds aan mezelf, en ik vrees dat ik dat altijd zal blijven doen, als de jongeman die in Amstelveen met een hausse aan cuts honderd runs scoorde, die in Rotterdam, in de tweede slip, met een snoekduik die ene bal ving, die met veel geluk een hattrick scoorde bij de Haagsche Cricket Club. Deze en andere cricketmomenten zijn in mijn geheugen geëtst als sexuele herinneringen, altijd oproepbaar, en in die lange eenzame nachten in het hotel, als ik me wilde afschermen van de droefste gevoelens, waren ze in staat me wakker te houden terwijl ik ze opnieuw doorleefde en liggend in bed machteloos treurde om de mysterieuze belofte die ze ooit hadden ingehouden.’
Troostlezen (7): De terugkeer van Steve Warson

Tweedehands boeken zijn als zwijgende mannen die uit gewoonte samengroepen in het schemerige licht van cafés, op banken van stadsparken, in stationsrestauraties: lange regenjassen, vettige kragen, een gezicht vol ezelsoren, en soms een naam of een opdracht op het schutblad – ergens de aansluiting gemist, maar waar? De ware Troostlezer zoekt graag hun gezelschap, op boekenmarkten, in antiquariaten, in rommelige souterrains, op vlooienmarkten, en vindt verlichting in het besnuffelen van rijen boeken, bepotelen van omslagen, bevingeren van bladzijden. Ook ik doe het graag. Nog steeds. Steeds meer zelfs. Vooral oude strips kan ik niet voorbijlopen, ik denk omdat zij nog meer dan gewoon proza de sporen dragen van het voorbijgaan van de tijd.
Darwinjaar
Ik was de enige bij ons thuis die las, maar deed dat met een gretigheid en vraatzucht die groot genoeg was voor ons allemaal. Hoeveel eerbied mijn vader en moeder ook voor kennis in het algemeen en boeken in het bijzonder hadden, lezen deden zij niet. Er stond een reeks gebonden boeken van de Arbeiderspers in onze kast, die zij ooit uit politieke sympathie of omdat zij geen nee konden zeggen tegen een colporteur, hadden aangeschaft, maar nooit, behalve dan voor het afstoffen, ter hand hadden genomen. Natuurlijk las mijn moeder de Margriet en waren wij geabonneerd op de VARA-gids en Het Parool, zoals het mensen uit onze kringen betaamde, maar een boek lezen deden wij niet.
Ik leste mijn dorst naar pagina’s vooral in de bibliotheek, waar ik elke keer met het maximaal aantal toegestane boeken vandaan kwam. Sommige boeken werden mij thuis bezorgd door het wagentje dat mij en mijn broer elke week het stripweekblad Pep bracht. Het was een vreemd, vierkant ding, dat achteraf bezien nog het meest weg had van een samengeperste SRV-wagen, even hoog als lang en iets minder breed. Voorin, weggedrukt achter het stuur, zat de chauffeur van het autootje, die elke week zijn klanten afreed om ze de tijdschriften te bezorgen waarop zij waren geabonneerd. Zijn voorraad lag opgetast in het schemerige binnenste van zijn wagen waarin hij telkens verdween en weer uit tevoorschijn kwam. Hij belde aan en liet nadat er was opengedaan zijn ‘Pep, Sjors, Tina, Libelle’ en de hele reeks andere bladen die hij in zijn portefeuille had door het trappenhuis schallen, waarop mijn moeder samen met de andere vrouwen de trap af ging om beneden aan de voordeur de bladen in ontvangst te nemen en te betalen. De bezorger maakte van de gelegenheid gebruik om de speciale uitgaven van de Geïllustreerde Weekblad Pers onder hun aandacht te brengen, die samen met de tijdschriften in een soort etalage aan de achterzijde van zijn wagentje achter glas stonden uitgestald. Als ik het geluk had thuis te zijn als hij langskwam, rende ik zodra de bel had geklonken naar het raam, of soms, als ik het karretje tuffend met zijn kleine, walmende benzinemotor had horen aankomen, al eerder. Met mijn neus en voorhoofd tegen het glas gedrukt wierp ik een smachtende blik op de kleurige boeken en tijdschriften waarmee het wagentje, als met de flonkerende facetten van een juweel, stond te pronken, terwijl tegelijkertijd de bezorger zijn mantra door het trappenhuis liet galmen, ‘Pep, Sjors, Tina, Libelle’, woorden die eenzelfde schittering hadden, als de door een conducteur op het perron uitgeroepen reeks van exotisch klinkende halteplaatsen op het traject naar de andere kant van de wereld.
>lees verder
Lezen en vergeten
Ik lees 25 boeken per jaar. Dat is geen stelregel of voornemen, maar het gemiddelde waar ik na jaren van bijhouden op uitkom. Is dat veel? Het is ongetwijfeld meer dan de meesten, maar minder dan ik zou willen. Het is soms leuk om die lijstjes door mijn vingers te laten gaan. Wat las ik in 2002? En in 2005? Vroeger noteerde ik niet alleen wat ik las, maar ook wat ik ervan vond. Zo lees ik dat er wat mij betreft flink gesneden had mogen worden in het geneuzel van de hoofdpersonen in Richard Yates’ Revolutionary Road. Daar kan ik me nog wel iets van herinneren, ja. En And when did you last see your father? van Blake Morrison vond ik vooral sentimenteel. ‘En die citaten hadden er natuurlijk uit gemoeten,’ zo besluit ik mijn notitie. Welke citaten waren dat? Ik pak het boek uit de kast en sla het erop na. Die uit de gedichten, denk ik. Wat herinner ik me nog maar weinig van het boek. En van al die andere in mijn kast. Ik lees er 25 per jaar, maar hoeveel vergeet ik er in diezelfde periode weer?
Zijwaarts lezen
Het is een droom om nog eens een roman te schrijven die zich echt van hyperlink naar hyperlink laat lezen. Springend van associatie naar associatie, pagina naar pagina, link naar link. Dan is dit misschien niet meer dan een schamel alternatief. En toch heeft het iets van diezelfde bekoring: lezen via de tags die ik aan mijn stukjes heb gehangen. Zijwaarts lezen, heb ik het genoemd. Voor wat het waard is. Vrijwillig verdwalen. Bestemmingloos bladeren.
