Kolen en staal

Gisteravond naar The Iron Lady geweest. Terwijl ik in het donker op het beginnen van de film zat te wachten, kwam Agnes Jongerius de zaal binnen. Samen met een drietal andere dames. Ze namen plaats  op de rij achter mij. Was ik er door haar verschijning in het licht van de zaaldeur al bijna zeker van dat zij het was, haar karakteristieke stemgeluid schuin achter mij nam de laatste twijfel weg.
Ze zei niet veel, overigens. Minder dan de ietwat luidruchtige andere dames in ieder geval.
Ben benieuwd wat ze van de film vond. Vond er zelf niet veel aan.
Natuurlijk, Meryl Streep is indrukwekkend goed – maar indrukwekkend goed in wat eigenlijk? In het nadoen van Margaret Thatcher? O, zeker, daarvoor verdient zij, de stemcoach en de make-up afdeling alle lof. Maar volgens mij is het daar in het acteren of in het maken van een goede film niet om te doen.
Nee, waarin ik haar wel indrukwekkend vond, was het neerzetten van een oude vrouw die haar eerste, aarzelende schreden zet op het pad van de dementie. Dat was prachtig en ontroerend. Dat die oude vrouw Margaret Thatcher was, deed voor mij niet zo ter zake. Dat deel van de film, de biopic, liet mij koud en vond ik slecht gemaakt. Een haastige montage van een aantal belangrijke momenten in een leven, met een gemakzuchtig en oppervlakkig psychologisch sausje er als verklaring overheen.
En vooral de combinatie van de twee, de biopic en het portret van de oude vrouw, wilde maar geen film worden.
Ik had met alle plezier anderhalf uur naar Meryl Streep als oude vrouw gekeken. Geraakt, ontroerd en onder de indruk van hetgeen scenarist, regisseur en actrice mij voorschotelden.
En daar is het in een film wel om te doen.
Ben benieuwd hoe Agnes Jongerius daarover denkt.
Of zij voor vorm of inhoud kiest.

Brideshead

Nu de film, die altijd bleekjes zal afsteken bij de serie, is uitgekomen, zou het me niet verbazen als er een Brideshead revival zou ontstaan. Et in Arcadia ego: ook ik was verslingerd aan de serie. Twintig was ik, in 1981. Wat maken die dingen indruk op je, als je twintig bent. Zou hem graag nog eens terug zien. Maar de film niet, nee. Dat lijkt me niet zo’n goed idee.
Met Charles was ook ik verliefd op Sebastian en op Julia en op Sebastian en op Julia. En misschien ook wel een beetje op Lady Marchmain, ja. Zou de film daar nog wel voor willen zien, voor Emma Thompson. Verliefd was ik toch vooral op het geheel. Dat geheel van personages, plots, landschappen en decors, op dat leven en die wereld, op de taal, de beelden. En toch was er één element dat daar nog weer uitstak: de figuur van Anthony Blanche. Van alles wat zich in die gelukzalige weken aan mij voltrok, is hij mij het meest bijgebleven. Wonderlijk misschien, zo’n grote rol had hij immers niet.
De rol van Anthony Blanche werd gespeeld door de acteur Nickolas Grace, die ik daarna uit het oog ben verloren. Maar zijn personage niet. Heb er in mijn roman ZVEM de figuur van Laurens naar gemodelleerd. De jongen ‘waar bij elk woord dat hij uitsprak een glimlach op zijn lippen leek te trillen’. Een kleine, uiteraard nooit opgemerkte, ode aan een held uit mijn verloren paradijs.

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (4)

Ik kocht laatst Down by law, van Jim Jarmusch. Ik moet de film in de tweede helft van de jaren tachtig een keer of vier gezien hebben, daarna niet meer. Hij kreeg een plaats in mijn persoonlijke Top 10 en is daar niet meer uit verdwenen.
John Lurie, Tom Waits, Roberto Benigni, Jarmusch zelf: ik denk dat ze toen op hun best waren. Wat alle vier daarna nog maakten was alleen maar minder. Mijn favoriet was John Lurie, de meest coole gast die ik ooit had gezien. Ik kende hem van The Lounge Lizards en zag hem voor het eerst in Permanent Vacation. Mister Cool. Ik denk niet dat hij een groot acteur was, maar niemand kon zo mooi met zijn duim langs zijn lippen strijken als hij.
Lurie lijdt sinds het begin van deze eeuw naar eigen zeggen aan een onbekende neurologische aandoening, die hem ervan weerhoudt om te acteren of op te treden. Hij verblijft het grootste deel van de tijd in zijn atelier, waar hij schildert. Hij is nu 55 jaar.
‘It’s a sad and beautiful world.’

www.johnlurieart.com
www.strangeandbeautiful.com

De schoonheid van imperfectie

Het was toen ik laatst de film A good woman op televisie zag. Op een doordeweekse avond. Bij de BBC of de BRT, dat weet ik niet meer. De film zelf stelde niet zoveel voor. Het decor van het Italiaanse Amalfi was mooi, de oneliners van Oscar Wilde, op wiens Lady Windermere’s fan de film was gebaseerd, waren witty, maar kijken naar de film (en blijven kijken) deed ik toch vooral vanwege de aanwezigheid van Scarlett Johansson daarin.
Misschien kwam het wel juist doordat de film zo weinig bijzonder was en kabbelend voorbij trok. Misschien wel juist doordat er zo weinig te zien was, zag ik waar de schoonheid van Scarlett Johansson ‘m nu precies in zit.
Laat ik u verklappen dat die in haar neus zit. Die is goed beschouwd te groot. En te bollig aan het uiteinde.
Maar het is juist die onvolmaaktheid die ontroert, kwetsbaar maakt en mooi.
In mijn ogen dan.

johansson.jpg

Salad-days

Gisteren zag ik een stukje van Visconti’s Dood in Venetië op tv. Terwijl ik zat te kijken moest ik denken aan het boek De jongen van Germaine Greer, dat een paar jaar geleden is verschenen. In dat boek verzette de schrijfster zich tegen de overheersende rol van de vrouwelijke schoonheid in de kunst en de media. Ze wilde laten zien hoe in de eeuwen daarvoor juist de man, en dan met name de opgroeiende jongen, het schoonheidsideaal had beheerst. Het ging Greer om het beeld van de oogverblindende jeugd. Zij verwees daarbij niet alleen naar klassieke kunstwerken uit het verleden, zoals Cellini’s Narcissus en Donatello’s David, maar ook naar hedendaagse iconen als Brian Jones en Marc Bolan, James Dean en Kurt Cobain, allen, misschien niet toevallig, jong gestorven helden. ‘De man is mooi wanneer zijn wangen glad zijn, zijn lichaam onbehaard, zijn blik helder, zijn houding beschroomd en zijn buik plat,’ zo schreef Greer, ‘ze moeten oud genoeg zijn om seksueel geprikkeld te kunnen worden, maar nog niet zo oud dat ze zich al moeten scheren. Die tijd is in een vloek en een zucht voorbij.’ Een foto van Bjorn Andresen, de jonge acteur die in 1971 in Dood in Venetië de rol van Tadzio speelde, sierde het omslag van het boek.
Mij deed Bjorn Andresen, toen en ook nu weer, denken aan een jonge, kwikzilverige speler uit de Ajaxschool, een aalvlugge rechtsbuiten met een mooie schaarbeweging en een wegdraaiende voorzet. Een speler in de voetsporen van Frank Rijkaard, Marco van Basten, Gerald Vanenburg, John van ‘t Schip, Brian Roy, Richard Witschge, Dennis Bergkamp, Raphaël van der Vaart en Wesley Sneijder. Voetballers met platte buik, gladde wangen en heldere blik, in de salad-days van hun loopbaan, als hun spel nog gekenmerkt wordt door lichtheid, snelheid, onbeladenheid, overmoed en exuberantie.
Ik denk dat wij zo van die jonge talentvolle spelers houden omdat wij, in die vergeefse strijd tegen het verglijden van de tijd, jonge voetballers nodig hebben om onszelf op de tribune jong te voelen, om de eeuwige droom van een eeuwigdurende jeugd voort te kunnen zetten. Ik ben daarom van mening dat het jeugdcomplex van Ajax met De Toekomst een verkeerde naam heeft gekregen: het is het verleden dat wij er herbeleven, in een herinnering die, zoals elke herinnering, een illusie is.
De aanblik van de jonge Bjorn Andresen dreef mij naar mijn computer. Met zijn naam als zoekwoord probeerde ik erachter te komen wat er van hem was geworden. Het was niet veel informatie wat ik vond, maar genoeg om te weten dat het met zijn filmcarrière na Dood in Venetië niet echt heeft willen vlotten. Hij speelde in de twintig jaren die zouden volgen nog wat kleine rolletjes in Zweedse films met titels als The Simple-Minded Murder, One-Week Bachelors en King of Smugglers. Hij heeft een dochter, twee stukgelopen huwelijken achter de rug, woont in Stockholm, en is nu ergens in de vijftig.

tadzio.jpg

Don’t look now

Ik zag laatst in een smal vaartje bij ons in de buurt een grote kartonnen doos drijven. Rechtopstaand, met de vier delen die de bovenkant vormden enigszins open, een merkwaardig gezicht was dat. Kwam het daardoor, door dat vreemde drijven? Of was het de schemering die net op dat moment vanuit het water langs de wallenkant omhoog kroop en aan de stammen van de bomen en de muren van de huizen begon te likken?
Hoe het ook zij, het beeld bracht op dat moment een herinnering in mij boven waarvan ik het bestaan was vergeten.
Het is ergens in het midden van de jaren zestig geweest, in de eerste jaren van mijn leven. Ik hoorde het iemand zeggen, maar wie? Ergens in de grachten van Amsterdam was een in stukken gesneden lijk gevonden. In een dichtgebonden zak had het op het water gedreven en was het tegen een kade of woonboot gespoeld. Meerdere zakken waren er gevonden, zo fluisterde mijn geheugen mij nu in, die de diverse delen van het lichaam bevatten, op verschillende plaatsen in de stad, en dat er nog enkele stukken van de macabere puzzel ontbraken, het hoofd denk ik nu, al vraag ik me af of mijn kindergeest niet met het bericht aan de haal is gegaan. Zou een mooie opdracht zijn voor een stagiair in het gemeentearchief.
Het was in de dagen erna dat ik met een vrouw, van wie ik mij de identiteit niet kan herinneren, op een zaterdagmiddag het centrum bezocht. Het was een late namiddag in de herfst, net als nu. Het duister begon op te trekken uit de straten en de bomen langs de grachten filterden het licht van de lampen die hier en daar al werden ontstoken. De tram waarin wij zaten reed stapvoets door de drukke binnenstad en sukkelde over de vele bruggen waaronder het water inktzwart spiegelde. Elke keer dat wij stilhielden op zo’n brug, dacht ik een lichaamsdeel te zien, niet eens meer verpakt in een zak, maar zo, open en bloot. Een arm, een been, de gekromde vingers van een hand, uitstekend boven het water. Of het hoofd, van een meisje natuurlijk, dat mij met toegewend gelaat lag aan te staren, terwijl de golfjes haar haren uit haar ogen streken.
Dezelfde angst, maar niet de herinnering, vond ik al eens eerder terug. Toen ik de film Don’t look now zag en de beelden van het rode capeje dat langs de mistige kanalen van Venetië schoot diezelfde angst weer tot leven brachten, de angst voor het water, voor de duisternis, voor de dood, wat misschien wel drie woorden zijn om hetzelfde aan te duiden.
Het werd langzaam donker. En de doos dobberde zachtjes voort. Onder het bruggetje door waarop ik stond. Of er iets in zat weet ik niet. Ik dorst niet te kijken.

gezicht-in-water.jpg