Ik begrijp niets van de knieval voor het populisme die politici in het klimaatdebat nu plotseling maken. En van de gretigheid waarmee journalisten op diezelfde politici inhakken evenmin. Angst. Angst en opportunisme, anders kan ik het niet verklaren. Nederland loopt niet voor 55, maar voor 26% onder water. God, wat hunker ik naar een politicus die zegt dat 26% hem meer dan genoeg lijkt. Of nog liever een reactie in de stijl van mijn zoon: ‘Lekker belangrijk.’
Op mijn stem zou hij of zij kunnen rekenen.
Tagarchief: angst
GeenRuggegraat
Waar ik echt niets van begrijp, hoe ik ook mijn best doe, zijn de flirtages van bijvoorbeeld Jeroen Pauw, Paul Witteman en Matthijs van Nieuwkerk met mensen als Peter R. de Vries en de makers van GeenStijl. Wat zou daar toch achter zitten? Heb vandaag maar eens op de site van GeenStijl gekeken. Ik wil geen onheilsprofeet spelen, maar ik moet bekennen dat mij een gevoel van angst bekroop. Pure, banale angst. Zou daarin wellicht ook bij hen de motivatie schuilen? Geïntimideerd. Zoals Frits Barend en Henk van Dorp zich ooit publiekelijk bij de Hells Angels excuseerden.
Don’t look now
Ik zag laatst in een smal vaartje bij ons in de buurt een grote kartonnen doos drijven. Rechtopstaand, met de vier delen die de bovenkant vormden enigszins open, een merkwaardig gezicht was dat. Kwam het daardoor, door dat vreemde drijven? Of was het de schemering die net op dat moment vanuit het water langs de wallenkant omhoog kroop en aan de stammen van de bomen en de muren van de huizen begon te likken?
Hoe het ook zij, het beeld bracht op dat moment een herinnering in mij boven waarvan ik het bestaan was vergeten.
Het is ergens in het midden van de jaren zestig geweest, in de eerste jaren van mijn leven. Ik hoorde het iemand zeggen, maar wie? Ergens in de grachten van Amsterdam was een in stukken gesneden lijk gevonden. In een dichtgebonden zak had het op het water gedreven en was het tegen een kade of woonboot gespoeld. Meerdere zakken waren er gevonden, zo fluisterde mijn geheugen mij nu in, die de diverse delen van het lichaam bevatten, op verschillende plaatsen in de stad, en dat er nog enkele stukken van de macabere puzzel ontbraken, het hoofd denk ik nu, al vraag ik me af of mijn kindergeest niet met het bericht aan de haal is gegaan. Zou een mooie opdracht zijn voor een stagiair in het gemeentearchief.
Het was in de dagen erna dat ik met een vrouw, van wie ik mij de identiteit niet kan herinneren, op een zaterdagmiddag het centrum bezocht. Het was een late namiddag in de herfst, net als nu. Het duister begon op te trekken uit de straten en de bomen langs de grachten filterden het licht van de lampen die hier en daar al werden ontstoken. De tram waarin wij zaten reed stapvoets door de drukke binnenstad en sukkelde over de vele bruggen waaronder het water inktzwart spiegelde. Elke keer dat wij stilhielden op zo’n brug, dacht ik een lichaamsdeel te zien, niet eens meer verpakt in een zak, maar zo, open en bloot. Een arm, een been, de gekromde vingers van een hand, uitstekend boven het water. Of het hoofd, van een meisje natuurlijk, dat mij met toegewend gelaat lag aan te staren, terwijl de golfjes haar haren uit haar ogen streken.
Dezelfde angst, maar niet de herinnering, vond ik al eens eerder terug. Toen ik de film Don’t look now zag en de beelden van het rode capeje dat langs de mistige kanalen van Venetië schoot diezelfde angst weer tot leven brachten, de angst voor het water, voor de duisternis, voor de dood, wat misschien wel drie woorden zijn om hetzelfde aan te duiden.
Het werd langzaam donker. En de doos dobberde zachtjes voort. Onder het bruggetje door waarop ik stond. Of er iets in zat weet ik niet. Ik dorst niet te kijken.
