Vorige week zondag joggte ik samen met zoonlief een rondje door het natuurgebied achter onze wijk. Het was wit. Er lag nog sneeuw en ijs en substanties die daartussen het midden hielden. U hoort het al: een liefhebber van de winter ben ik niet. Maar om doorheen te rennen was het een bekoorlijk landschap, ik kan niet anders zeggen. Zeker wanneer je het doet samen met je zoon. Al neem ik dan ook met een industrieterrein genoegen.
Halverwege ons rondje zagen we bij een slootje een reiger staan. Zoals ze meestal doen, reigers. Ik vraag me altijd af of zij iets zien dat ik niet zie, of dat ze simpel van geest naar een morsig slootje staan te staren. Of om met Louis van Gaal te spreken: ‘Ben ik nu zo slim of ben jij nu zo dom.’ Maar met deze reiger was toch wel iets bijzonders aan de hand: hij was wit, witter dan alle sneeuw en ijs om ons heen. Ik wees mijn zoon erop die zijn schouders ophaalde en zei: ‘Dat zijn ze toch altijd.’
Thuisgekomen was ik het beest eerlijk gezegd al weer vergeten. U hoort het al: een echte vogelaar ben ik niet. Maar afgelopen zondag hoorde ik Koos van Zomeren in zijn column op de radio iets zeggen over een sneeuwwitte Zilverreiger en toen schoot hij me weer te binnen, de vogel die ik had gezien. Ik zocht op internet naar een plaatje van de Zilverreiger en verdomd, het was hem echt. Schijnt tamelijk zeldzaam te zijn. Wat met terugwerkende kracht ons rondje iets bijzonders gaf.
Afgelopen zondag rende ik hetzelfde rondje, maar van de Zilverreiger nu geen spoor. Bleef wel zitten met de vraag waarom ze het dier nu de naam Zilverreiger hebben gegeven. Die lijkt me nu echt veel meer geschikt voor zijn grijze soortgenoot.
Ik heb niets tegen het e-book. Sterker nog, ik vind het een uitdagende uitbreiding van de mogelijkheden van de schrijver. Van toekomstvisies heb ik weinig kaas gegeten. En van digitale toekomstvisies al helemaal niet. Maar in alle opwinding over de vermeende opkomst van het e-boek weet ik één ding zeker: dat het, zoals ik op de kop af twee jaar geleden hier al schreef, in gekopieerde versie over de elektronische snelweg van huiskamer naar huiskamer zal zoeven. Of zoals Lemniscaat uitgever Boele van Hensbroek het afgelopen vrijdag zei in de NRC: ‘Zodra iets een bestand is, ben je het kwijt.’
Het probleem van piraterij wordt vreemd genoeg meestal over het hoofd gezien. In de toekomstvisioenen die ons voorgespiegeld worden is de schrijver een auteursmerk, iemand die aan het hoofd staat van een eigen werkplaats, wiens boek gedownload wordt en die twitterend zijn digitale volgers op de hoogte houdt. Het 360-gradenmodel, noemt uitgever Joost Nijsen dit, met een term uit de muziekindustrie. Maar laten we eens kijken naar die muziekindustrie. ‘Verwordt dan het gedrukte boek ook tot marketinginstrument?’ schreef ik op 30 januari 2008. ’Ben alleen wel benieuwd waar wij schrijvers dan ons brood mee moeten verdienen. Zie de Arena nog niet zo snel vollopen voor een voorleesbeurt van een van mijn collega’s.’
Of met andere woorden: van twitteren kan mijn schoorsteen niet roken. Van mijn boekverkoop overigens ook niet, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Op 14 december 2008 schreef ik over mijn zoektochten langs de digitale snelweg naar mijn naamgenoten, de René Snoek van Snoek Centraal Stofzuiger Apparatuur bijvoorbeeld, de tennisser van TC Lekkerkerk of de waterpolocoach. Vandaag maakte ik weer een ommetje en las dat een andere naamgenoot van mij recentelijk door het noodlot is aangedaan. Studio Hairstyle, de kapsalon van René Snoek en Ria Gelderblom (‘zij zorgen met hun veelzijdige team van stylisten dat je je iedere keer weer thuis voelt’) is door een uitslaande brand in as gelegd. ‘Ik hoorde de kettingzaag. Foute boel’ kopt Het Kontakt onheilspellend. Op 2 januari, ‘terwijl Lekkerkerk uitbuikt na de feestdagen’, volgens wederom Het Kontakt. Het artikel eindigt optimistisch. De eigenaren laten zich niet kisten en zijn supergemotiveerd om het pand weer in de oude staat te herstellen. En dat de klanten voorlopig terecht kunnen in het voormalige pand van babyspeciaalzaak Mudde aan de Burgemeester Roosstraat, geeft zelfs mij weer goede moed.
En opeens ging er toen een lichtje bij mij branden: de kapper en de tennisser zijn een en dezelfde persoon.
Verderop in de gang van het verzorgingshuis staat een groepje verzorgsters en verpleegsters te praten. Ze maken handgebaren, knikken, overleggen; een schiet er in de lach.
‘Mevrouw B. is uit haar bed gevallen,’ verklaart mijn moeder als ik haar ernaar vraag. Naar buiten starend blijft ze met haar rollator middenin de kamer staan. ’Je vraagt je af hoe je uit je bed kan vallen,’ peinst ze, ‘ik draai me ook tien keer per nacht om, maar ik ben nog nooit uit mijn bed gevallen.’
Ik heb haar wakker gemaakt: toen ik het halletje binnenstapte, betrapte ik haar bij het opzetten van haar bril. Ik knip het koffiezetapparaat aan dat zij al heeft klaargezet, berg haar boodschappen op en hang mijn jas op. Ik schenk koffie in, leg de meegebrachte gevulde koeken op een schoteltje, ga tegenover haar aan tafel zitten en zeg iets over het weer. Ze is er met haar gedachten nog niet helemaal bij, mijn moeder. Op zulke momenten, gewekt uit een van haar hazenslaapjes, heeft ze even tijd nodig. Ze moet aangloeien, als een spaarlamp of een ouderwetse buizenradio. Ik vraag me af of die opstarttijd toe zal nemen, in duur of in frequentie, en of ik er getuige van zal zijn als dat zwakke gloeien niet meer in staat zal zijn een licht te ontsteken in de schemering van haar geest.
Ze drinkt haar kopje leeg: de koffie doet haar zichtbaar goed. Ze pakt een van de lijstjes die ze maakt erbij om te zien wat ze mij vandaag allemaal moet vragen. Bij de eerste regel vonken haar ogen en krijgt haar huid zowaar wat kleur. ‘Ach,’ zegt ze, ‘nou wordt-ie helemaal mooi.’ Ze schiet overeind en zonder rollator komt ze op mij af. ‘Het is toch erg, hè, vergeet ik daar mijn hele kind.’
Ik ben jarig. Achtenveertig.
Laatst zat ik op het station van Hoorn te wachten op de trein die mij terug naar Amsterdam zou brengen. Ik had nog een minuut of twintig, pakte een boek uit mijn tas en dompelde mij erin onder. Na een tiental minuten vroeg een stem mij wat ik aan het lezen was. Ik keek op en zag een man die was opgestaan van zijn bankje rechts van mij en nu voor het mijne stond. Hij droeg een spijkerbroek, een grof gebreide trui en een kort jackje. Hij had kort haar en een gezicht met trekken die ouder waren dan hijzelf. Ik schatte hem een jaar of veertig.
Ik liet hem de voorkant van het boek zien: Een vrouw op de vlucht voor een bericht, van David Grossman.
‘Is het goed?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik denk het wel.’
‘Waar gaat het over?’
Ik legde hem aan de hand van de titel in het kort de inhoud van het boek uit. Hij knikte, stelde een vraag, maakte een opmerking en stak toen zijn hand uit.
‘Sorry, dat ik je zo lastig val,’ zei hij, ‘vind je toch niet erg, hoop ik? Ik heet Peter.’
Ik zei dat hij me in het geheel niet lastig viel, schudde zijn warme hand en stelde me voor.
‘Ik ben gek op boeken,’ zei hij, ’ik heb er thuis 5000. Dit lijkt me een goed boek, ik denk dat ik het ga kopen.’
‘Ik kan het je aanbevelen.’
‘Op de vlucht voor een bericht. Ik ben zelf ook op de vlucht, zou je kunnen zeggen, op de vlucht voor mijzelf.’
Ik verkoos niet op zijn opmerking in te gaan.
‘Maar ja, misschien zijn we allemaal wel ergens voor op de vlucht, toch?’
Ik knikte.
‘Ik zal je niet langer storen, René,’ zei hij en hij liep terug naar zijn bankje. Ik sloeg het boek weer open en hervatte mijn lezen.
‘Denk je dat ze het in de stationskiosk hebben?’ vroeg hij van een afstand.
Ik knikte. ‘Dat denk ik wel, ja.’
Even later kwam de trein het stationnetje binnen glijden. Ik liep een stukje het perron af, voor de zekerheid, zocht een zitplaats uit, installeerde mij en ging weer verder met lezen.
Hij had een andere plek gevonden, Peter. Ik neem tenminste aan dat hij wel in de trein is gestapt. Maar waar naar toe? Ik weet het niet. Waar stond dat huis met 5000 boeken? Ik keek op van mijn boek de donkere avond in en hoopte dat hij er in ieder geval één vond. Eén huis. En één boek.
Ik begon deze draad van berichtjes, de stream of consciousness van onze tijd, met een tweetal notities over een telefooncel. Ik voeg daar nu, ruim twee jaar later, een derde aan toe. Ik kwam hem tegen op de onvolprezen boekennieuwssite van Dirk Leyman ‘De papieren man’. Het gaat om een rode, Engelse telefooncel in het dorpje Westbury-sub-Mendip. Ook in het traditierijke Engeland verliezen telefooncellen hun functie. Soms worden zij verkocht en krijgen een nieuwe bestemming. In Westbury-sub-Mendip, gelegen ten zuiden van Bristol en Bath, is een telefooncel verbouwd tot de kleinste bibliotheek van Groot-Brittannië. Vierentwintig uur per dag geopend, elke dag van het jaar. Met een collectie van inmiddels meer dan honderd boeken. Wie een boek leent, zet daar een ander boek voor in de plaats. Ach, wat lees ik dit soort berichtjes graag.
Maar goed, over Lhasa de Sela dus. Ik kwam met haar in aanraking door het duet met Stuart Staples dat ik een paar dagen geleden plaatste. Een merkwaardige carrière heeft ze doorgemaakt. Zal dat hier niet allemaal oprakelen. Googelt u maar even op haar naam, dan wordt haar hele doopceel in een tel gelicht. Of doe dat niet en kijk gewoon. Kijk en luister. En laat u betoveren door haar stem.
Met Ramses Shaffy heb ik nooit echt iets gehad. In de jaren zestig was hij te springerig en te ongrijpbaar om voor mij als kind te begrijpen. Toen ik dat op latere leeftijd wel kon, vond ik dat er niet zo heel veel te begrijpen was. Dinsdagavond zat ik een tijdje in de auto en hoorde op de radio zijn muziek langskomen. Tijdens het nummer ‘We zullen doorgaan’ kwamen er zinnen uit mijn herinneringen bovendrijven als ‘het graan heeft de orkaan doorstaan om door te gaan’, maar hoe ik ook wachtte, ik hoorde ze niet. Pas toen zich bij die zinnen het potsierlijke ‘tot we aan het gaatje zijn’ voegde, realiseerde ik mij dat zij afkomstig waren uit de parodie op het liedje die André van Duin ooit had gemaakt. Terwijl ik door het donker reed, bedacht ik dat ze goed beschouwd niet zo heel veel van elkaar verschilden, de serieus bedoelde regels en de parodie.
Misschien is het enige verschil tussen de twee wel het geloof. Veel dingen zijn slechts serieus te nemen zolang je erin gelooft. Dat geldt zeker niet alleen voor religie, maar ook voor kunst, sport, werk, liefde en sex. Zodra je er enige afstand tot neemt, dan krijgt het iets potsierlijks. En misschien is dat dan wel weer het wezen en de wezenlijke functie van humor: het perspectief van de ongelovige. Voor wie niets heilig is.
Zijn liedjes appelleerden succesvol aan onze behoefte om te geloven, besloot ik mijn autorit. Daar is niet zo heel veel mis mee. Maar ik zie het toch ook graag onderuit gehaald, op zijn tijd.
Stuart Staples kennen we als de zanger van Tindersticks. Het duet This leaving feeling komt van zijn solo CD Leaving songs uit 2006. Ik ben gek op zijn stem. De zangeres heet Lhasa de Sela, over haar later meer. Maar haar stem, ik ben er weg van. Luister zelf maar eens.
Op een herfststige zondagochtend een wandeling in het Amsterdamse Bos. Lekker weer, mooi licht, fel gekleurde bladeren, veel volk. Niets mis mee, met zo’n ommetje, zonder pretenties. Dat kan niet gezegd worden van dit stadspark: zoals bijna overal ontbreken ook hier de Schotse hooglanders niet. ‘Houd 25 meter afstand,’ meldt het bordje bij de ingang van dit stukje bos. Zal niet meevallen in dit gebiedje van postzegel formaat. De runderen zelf trekken zich er in ieder geval niets van aan. De wandelaars ook niet. Ik heb er al vaker over geschreven en blijf het potsierlijk vinden. ’Hoeveel van die beesten lopen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?’ vroeg ik mij in 2005 af. Hier waren het er in ieder geval veel. Net als het aantal Schotse uitwerpselen. Dat leverde nog koddige taferelen op doordat zij voor een groot deel schuil gingen onder het kleurrijke bladertapijt. Zag overal wandelaars in zondagse kleren de schoenen aan het gras afvegen. Moest toen opeens weer aan onze ooievaars denken. Het blijft vreemd gesteld met de natuur in Nederland.