Al dwalend over het web stuitte ik zo maar op een aardig fotootje. Passanten die er voor mij waren langsgekomen hadden berichtjes achtergelaten. Een van hen, met de nickname Jehazet, had geschreven: ‘De bunkers als vakantieverblijf spelen een belangrijke rol in de roman Poste restante van René Snoek.’
Zo is het maar net, Jehazet. Maar zo’n mooi fotootje als deze had ik er nog niet eerder van gezien.

bunker

En zo nog maar een gekregen, het kan niet op. Of nee, het kan wel op, dat is het ‘m nu juist. Het is bijna op, dat restje zomer. Laten we zuinig doen. Elke dag een stukje. De zomer op rantsoen.
Maar goed, gisteren nog een keer volop van genoten. Naar het Singer in Laren, de tentoonstelling van Anton Mauve bezocht. Nog nooit zulke mooie schaapjes gezien. Ook niet in het echt, toen we zelf over de hei wandelden en bij de schaapskooi bleven kijken. ‘Vind die van Mauve toch mooier,’ mompelde ik, waarop echtgenote instemmend knikte.

Anton_Mauve

Vanmorgen buiten met koffie en krant. Boodschap gedaan. Buiten geluncht. In de tuin gewerkt. Perentaartje gebakken. Rondje gejogd. Dag als een kadootje. Kadootje van de zomer.

Overigens zouden we Mina, of Mina Mazzini zoals haar volledige naam luidt, kunnen kennen. Van het lied Parole, parole dat ze samen met acteur Alberto Lupo zong, hoewel dat vooral in de versie van Dalida en Alain Delon een hit is geworden.

Moeilijk te zeggen welke mooier is. Oordeel zelf. Dat Delon beter is dan Lupo, dat behoeft geen betoog.

Ik was deze zomer in Italië. In Pogerola, een dorpje dat driehonderd meter hoog boven Amalfi tegen de heuvels ligt geplakt. Op een dag lieten wij ons met een bootje naar het even verderop gelegen Spiaggia Duoglio brengen, een strandje omsloten door steile kliffen. We huurden er een parasol en twee bedjes bij een strandtentje dat de naam I due scugnizzi droeg, wat in het Napolitaans zo veel wil zeggen als ‘de twee straatjongens’. Die twee straatjongens waren twee oude mannetjes, die waarschijnlijk met z’n tweeën al een half leven lang het strandtentje bestierden. Niet zonder succes overigens, want het strandje was vol, de espresso subliem en het eten heerlijk. Ze draaiden er bovendien fantastische muziek, die, toen ik er naar vroeg, van de zangeres Mina bleek te zijn. Het waren Napolitaanse liederen, zo legde een van de twee straatjongens me uit, live opnames, met spaarzame jazzy begeleiding die soms ook wel iets van Astor Piazzolla weg had. De entourage van het strand, de branding, de rotsen, de vakantie, de wijn en de zon, het zal ongetwijfeld mee hebben gespeeld, maar dat ik deze muziek ook thuis bij de centrale verwarming prachtig zou vinden, dat wist ik zeker.
Thuisgekomen ging ik op zoek. Google, YouTube, de inmiddels spaarzame hoofdstedelijke speciaalzaken op muziekgebied. Ik vond veel, heel veel, maar de muziek die ik bij de Napolitaanse straatjongens had gehoord die vond ik niet. Sommige nummers komen in de buurt. Deze, het Spaanstalige Nostalgias, vind ik een van de mooiste die ik ben tegengekomen. En als ik mijn ogen sluit, dan is het bijna, bijna, maar net niet helemaal.

Valt niet mee om na een zomerreces de draad weer op te pakken. Komt misschien bij dat ik rond deze tijd elk jaar meer heimwee naar de zomer lijk te krijgen. Naar de zomer, het zuiden, een ander landschap, een ander klimaat.
Maar ach, voorlopig moeten we het er maar mee doen. Om te beginnen een stuk uit de lade gepakt. Uitgestelde weemoed. Deze zomer in Armada verschenen, tijdschrift voor wereldliteratuur (dat zijn overigens niet mijn woorden). Nummer 55 had ‘wandelen’ als onderwerp. Vandaar.

‘Men zou kunnen zeggen dat het wandelen mij in het bloed zit, dat het mij is ingeprent in mijn kinderjaren, maar wat betekenen die woorden helemaal. Ze verklaren niet waarom ik het doe en er eenmaal aan begonnen bijna niet meer mee kan ophouden. Als ik loop is het mijn natuurlijke drang om het ene been voor het andere been te zetten. Dat klinkt misschien evident, maar dat is het niet. Op de fiets, bijvoorbeeld, moet ik altijd de neiging bedwingen om mijn benen stil te houden. De stap is de ademhaling van mijn lichaam en het ritme van mijn geest. Aan elke pas zou ik het liefst een volgende willen toevoegen, in een nooit eindigende, zich alsmaar voortzettende reeks. Niet om ergens aan te komen, want aankomen doe ik al bij de eerste schrede die ik zet, maar om ergens weer weg te gaan. Het idee van oneindigheid. Misschien is dat het wel wat wandelen zo aangenaam maakt.
   Mijn vader en moeder bewogen zich op heel verschillende wijze voort. Mijn moeder, een kleine, schriele vrouw, drentelde met korte, vinnige passen. Noodgedwongen en met onverhulde tegenzin. Als zij een straat overstak had zij de gewoonte om na elke drie, vier stappen een klein dribbelpasje in te voegen, alsof zij zich haastig uit de voeten moest maken voor toestormend verkeer. Maar er was geen auto, brommer of fiets die haar belaagde en de enige persoon die te bekennen viel, was ik, terwijl ik meegetrokken aan haar hand pogingen deed gelijke tred met haar te houden.’

>lees verder

In de Nederlandse vertaling luidt de titel van Joseph O’Neill’s boek Laagland. In het origineel is dat Netherland. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat O’Neill met zijn titel bewsut de associatie met Neverland heeft gelegd. In de vertaling is die verdwenen. Kijk ook eens naar de cover van het origineel. Neverland of niet, altijd beter dan het schaatsende jongetje van de Nederlandse versie.

netherland          omslag O'Neill

Mooi boek, Laagland van Joseph O’Neill. Geen 9/11 roman, daar had het boek wat mij betreft zelfs zonder gekund. En ook had er naar mijn smaak wat gesneden mogen worden in het gezever over zijn huwelijk(sproblemen). Ook de Dutch Connection speelde geen enkele rol in mijn waardering voor het boek. Nee, in feite zijn er slechts twee redenen waarom ik het toch een mooie roman vond: het thema van the Americain Dream en het dromen van cricket. Vooral dat laatste was naar mijn hart. Niet dat ik zo’n cricketfan ben, dat niet. Het had van mij elke andere sport mogen zijn. Ik heb nooit echt op hoog niveau gevoetbald, tot mijn spijt, maar de volgende passage had ik kunnen schrijven. Ook ik droom nog dikwijls van doelpunten gescoord op een veldje in een Amsterdams park, in de zaal van het Universitair Sportcentrum of op een Amsterdams voetbalveld. En die momenten, in tegenstelling tot zoveel andere die belangwekkender zouden moeten zijn, liggen inderdaad in de kern van wat ik voor het gemak dan maar mijn ‘Zelf’ noem.

‘Ik vind het moeilijk mij een te voelen met die voormalige zelven wier ongelukken en inspanningen mij mede gevormd hebben. De schooljongen aan het Gymnasium Haganum; de student in Leiden; de onnozele trainee executive bij Shell; de analist in Londen; zelfs de dertigjarige die met zijn opgewonden jonge vrouw naar New York vloog: mijn gevoel is dat die allemaal zijn vervaagd, in de loop der jaren, en uiteindelijk verdwenen. Maar ik denk nog steeds aan mezelf, en ik vrees dat ik dat altijd zal blijven doen, als de jongeman die in Amstelveen met een hausse aan cuts honderd runs scoorde, die in Rotterdam, in de tweede slip, met een snoekduik die ene bal ving, die met veel geluk een hattrick scoorde bij de Haagsche Cricket Club. Deze en andere cricketmomenten zijn in mijn geheugen geëtst als sexuele herinneringen, altijd oproepbaar, en in die lange eenzame nachten in het hotel, als ik me wilde afschermen van de droefste gevoelens, waren ze in staat me wakker te houden terwijl ik ze opnieuw doorleefde en liggend in bed machteloos treurde om de mysterieuze belofte die ze ooit hadden ingehouden.’

Nee, dan onze papaver. Ooit als zaad gekregen beschildert zij elk jaar onze tuin met zwermen lichtpaarse toetsen. Dit jaar is zij, vrijgevochten als ze is, uit de ommuringen van onze achtertuin gebroken. Zag haar zonnebaden tegen het muurtje van een schuur, ergens in de straat. In het strookje zand tussen twee stoeptegels. En naast ons voorwiel in een parkeerhaventje verderop. Streetwise en onbezorgd. Dat zou onze roos nooit durven. Die blijft staan waar ze staat en alleen bij het zien van de papaver al slaat ze met blozende wangen de ogen naar beneden. ‘En dan de taal die zij uitslaat,’ fluistert ze zacht.

Papaver

Het is zo’n 12 jaar geleden, denk ik. Volgens mij werden de zogenaamde David Austin rozen toen net populair in Nederland. En ik moet zeggen dat ze ook prachtig waren, op papier.
Ik bestelde een brochure die mij vanuit Engeland werd toegezonden. Uren kon ik daar in bladeren. A Shropshire lad, Charles Rennie Mackintosh, Chaucer, Fair Bianca, Katrhryn Morley, Lochinvar, Queen of Sweden, Scarborough Fair, Constance Spry. Ik verlustigde mij aan de foto’s en de namen, werd er hebberig van, wilde ze allemaal en kocht er uiteindelijk drie.
Ik moet zeggen dat ik het boek beter vond. De bladeren raakten snel aangetast, de stelen waren slap en behoefden ondersteuning en de bloemen, ach, de bloemen waren prachtig, voor een dag. Steeds hoorde ik de opmerking van een vriend van mij in mijn hoofd, die zei dat-ie het maar verfrommelde zakdoekjes vond.
En zo verdwenen ze weer uit onze tuin, mijn David Austin rozen, hoewel ik hun namen soms nog steeds voor mij uit fluisterde op een bewolkte dag: Charles Rennie Mackintosh, Chaucer, Constance Spry.
Dit voorjaar konden wij de verleiding niet weerstaan en probeerden het nog een keer. Met één struik, dit maal. De keus viel op een Heritage. ‘A flower of delicate shell-like beauty,’ volgens de catalogus. ‘The blooms are of perfect, cupped formation (…) a very soft, clear pink at the centre, while the outer petals are almost white.’ En dan de geur, die heeft ‘a beautiful fragrance, with overtones of fruit, honey and carnation on a myrrh background.’
De bloem is zeker niet onaardig, al begint-ie al te verwelken als-ie goed en wel open is. En de geur? Ik zou het niet weten. Ik moet met mijn rug op de grond gaan liggen om mijn neus bij de bloem te krijgen. Maar dit keer geef ik  haar de tijd, mijn nerveuze, lichtgeraakte juffertje, kouwtje bij elk kiertje tocht, huilbui bij elke stemverheffing, een verfrommeld zakdoekje in de hand.
En ach, anders hebben we altijd de foto’s nog.

heritage